Servische oppositie woedend over `hulp' van VS

De Amerikaanse regering mengt zich volop in de Joegoslavische politiek, om de Servische oppositie te helpen. De Servische oppositie is razend: dat was niet de bedoeling.

Ondankbare honden zijn het. Bied je hulp aan en wat krijg je ervoor terug? Geen bos bloemen. Geen bedankje. Nog niet eens een vriendelijk woord.

Het overkwam de Amerikaanse regering. Ze opende vorige week een kantoor bij de Amerikaanse ambassade in de Hongaarse hoofdstad Boedapest om de democratische oppositie in Servië te ondersteunen. Maar het gebaar viel in slechte aarde. ,,Een doodskus'', noemde de presidentskandidaat van de verenigde Servische oppositie, Vojislav Koštunica, de opening van het kantoor.

Het initiatief van de Amerikanen speelt de Joegoslavische president Slobodan Miloševic in de kaart. Eind september vinden er presidentsverkiezingen plaats in Joegoslavië. Tegen de verwachting in neemt Koštunica, de gezamenlijke kandidaat van vijftien oppositiepartijen, in de polls een grote voorsprong. Volgens sommige onderzoeken ligt hij momenteel 12 procent voor op de president van Joegoslavië.

Miloševic greep de opening van het Amerikaanse kantoor in Boedapest dan ook direct aan om zijn belangrijkste tegenstander zwart te maken. De oppositie wordt door de Amerikanen en met Amerikaans geld in stand gehouden, verklaarde hij. Het bewijs was eens te meer geleverd. Zo'n beschuldiging kan, in een land waar de anti-Amerikaanse sentimenten hoog oplopen, Koštunica – bepaald geen vriend van Washington – veel stemmen kosten.

Koštunica zag zich gedwongen de tegenaanval te openen. De Amerikanen kregen de wind van voren. ,,Je hebt een enorme hoeveelheid arrogantie en hypocrisie nodig om te veronderstellen dat de Verenigde Staten uiteindelijk streven naar versterking van de democratie in Servië.'' Immers, diezelfde Verenigde Staten hebben vorig jaar Servië nog gebombardeerd. Dat was, zo zegt het Servische volk, niet echt een 'vriendendienst'.

Het is niet voor het eerst dat de Amerikanen zich nadrukkelijk met de oppositie in Joegoslavië bemoeien. Enkele weken geleden trok de opstandige Montenegrijnse president Milo Djukanovic naar de Italiaanse hoofdstad Rome om minister Madeleine Albright van Buitenlandse Zaken te ontmoeten. Een paar maanden daarvoor zaten de leiders van de Servische oppositie aan tafel bij Albright in de Kroatische hoofdstad Zagreb. Oppositieleider Vuk Draškovic gaf Albright zelfs een handkus.

Stille diplomatie is de Amerikanen al net zo onbekend als subtiliteit; hun aanpak is juist opzichtig en luidruchtig. Maar de hulp komt als een boemerang terug in de gezichten van degenen voor wie zij was bedoeld. Want Amerika is niet geliefd onder de Serviërs. Ze zijn ervan overtuigd dat Amerika hen aan de leiband wil leggen. Miloševic speelt handig in op de xenofobie onder het Servische volk. Zo wordt iedere ontmoeting tussen de Servische oppositie en de Amerikaanse afgevaardigden breed uitgemeten in de staatsmedia. Draškovic' handkus is wel honderd keer herhaald – en voorzien van stekelig commentaar. Deze man kust de hand van een vrouw die bommen op onze kinderen gooide, klinkt het dan. Moet hij jullie nieuwe leider worden?

Veel Serviërs houden de Amerikanen en de Britten verantwoordelijk voor de NAVO-bommen op hun land, vorig jaar tijdens de Kosovo-oorlog, en voor de strenge internationale sancties tegen Servië. Andere Westerse landen zijn in hun ogen vooral meelopers, die al onder de plak van de Verenigde Staten zitten.

Het is daarom onbegrijpelijk waarom de Amerikanan vasthouden aan hun zichtbare, domme diplomatie. Vojislav Koštunica, die in de polls ver voor ligt, ligt mede ver voor wegens zijn anti-Amerikaanse houding. Hij heeft de NAVO-luchtoorlog scherp veroordeeld en hekelt constant de internationale sancties tegen Servië. Miloševic en de zijnen krijgen weinig vat op hem. Want Koštunica heeft, in tegenstelling tot andere oppositieleiders, nooit geflirt met Westerse mogendheden en hun leiders. Integendeel bijna.

En juist op dit moment openen de Amerikanen een kantoor voor de oppositie, in Boedapest. Een zet die Koštunica in één klap kwetsbaar maakt voor het argument van het regime dat hij aan de leiband van Washington loopt. ,,De Servische democratie behoort aan de Serviërs en aan niemand anders'', zei Koštunica met begrijpelijke woede. In Europa, voegde hij er nog fijntjes aan toe, handelt men slimmer.

Het is een feit dat de Europese diplomatie zich veel meer op de achtergrond afspeelt. Ook de Democratische Partij van Zoran Djindjic, die tot de Alliantie van Verandering behoort waarvan Koštunica de presidentskandidaat is, heeft geprotesteerd tegen de ongevraagde Amerikaanse hulp. De Serviërs zouden graag zien dat de Hongaarse regering het Amerikaanse kantoor sluit.

Maar de Amerikanen lijken doof voor de kritiek van de oppositie. Een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington liet weten met de opening van het kantoor in Boedapest slechts hulp te willen bieden aan de verenigde oppositie in Servië. ,,Zodat het Servische volk leiders kan kiezen die hun belangen werkelijk verdedigen.'' Al zijn, voegde hij er aan toe, ,,de Verenigde Staten het niet op alle punten met meneer Koštunica eens.''

    • Yaël Vinckx