Ruimte en wonen

HOE WIL DE gemiddelde Nederlander wonen? Dat is redelijk simpel: een huis met een tuintje en de auto voor de deur. Welke mogelijkheden staan de gemiddelde Nederlander ter beschikking? Die vraag is moeilijker te beantwoorden. De suburbane gebieden worden nog steeds volgebouwd met eengezinshuizen uit de Vinex-folders. Maar de grenzen van deze uitdijende stedenbouw beginnen in zicht te komen. Het probleem is niet dat er geen grond meer is waarop gebouwd kan worden. Op vijfentachtig procent van de Nederlandse bodem staan nog altijd geen huizen. De kwestie is dat de voortdurende woningbouw de vrije ruimte ook belast: met bielzen, wandelpaden, door georganiseerd groen en asfalt. ,,Het land is een danszaal geworden waarin niemand meer aan de kant zit en iedereen de hele vloer nodig heeft'', aldus directeur Schnabel van het Sociaal Cultureel Planbureau. Nederland wordt dan ook geconfronteerd met een dilemma: bouwen in de breedte of in de hoogte.

DIT DILEMMA heeft een lange geschiedenis. Toen de industriële urbanisatie eind 19de eeuw begon, leek alles duidelijk. Om de arbeiders zo dicht mogelijk bij de fabriek te houden, werden er langs de stadsranden goedkope volkswijken gebouwd. Tijdens de culturele fase van de arbeidersbeweging begin 20ste eeuw werden deze buurten beschouwd als uitingen van verwording en kwamen de – verzuilde – woningbouwverenigingen op. De confessionele en sociaal-democratische bestuurders kozen voor een kwalitatieve uitweg. De stad bleef het middelpunt van hun denken, maar de sociale woningbouw werd beter en mooier. Zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog was het motto `Licht, lucht en ruimte'. Tuinsteden en propere nieuwbouwwijken waren het resultaat. In de suburbanisatie, die in de jaren zeventig een vlucht nam, bereikte dit idee zijn climax in de `overloopgemeenten'. De strikte regulering van de woningbouw, uitmondend in verordeningen en andere richtlijnen waarin zelfs de toiletruimte tot op de vierkante centimeter is vastgelegd, gaf de suburbanisatie nog eens een extra impuls. De Bijlmermeer, bedacht als compromis tussen stad en land voor de arbeiderselite uit de volkswijken, werd een nationaal symbool. De oude binnensteden dreigden intussen te verkrotten en cultureel-economisch te sterven.

DANKZIJ TWEE trends (nieuwe generaties burgers én de opkomst van een nieuwe generatie wethouders) werd de teloorgang van de stad een halt toegeroepen. De stadsvernieuwing kreeg politieke prioriteit. Sterker, de steden bleken zich op de golven van de nieuwe diensteneconomie razendsnel te ontwikkelen. Rotterdam en Amsterdam zijn daarvan treffende voorbeelden. In Rotterdam kreeg het centrum weer een gezicht en bouwde het stadsbestuur nieuwe en vooral hoge huizen om te voorkomen dat de hogere middenklasse in het voetspoor van de lagere middengroepen ook naar Hellevoetsluis zou verhuizen. In Amsterdam werd de `verdichting' omarmd. Terwijl de binnenstad en aanpalende buurten via een proces van `gentrification' (jonge opgeleide burger koopt oud pand, knapt dat op en geeft daarmee het voorbeeld) werden opgevijzeld, vulde het bestuur her en der de gaten zodat ook minder bedeelden in de stad konden blijven wonen.

INTUSSEN GING de suburbanisatie vrolijk door, gestimuleerd door het Vinex-beleid. Aangezien ook deze gebieden voor hun sociaal-economische draagvlak afhankelijk zijn van groei, ontstond er een concurrentieslag om de burger. De overloopgebieden adverteren met hun rustige eengezinswoningen voor gewone mensen, de grote steden brengen hun kosmopolitische cultuur voor de nieuwe bovenlagen in stelling.

Een van de gevolgen van deze wedstrijd is dat er van alles wat wordt gebouwd: flats en doorzonwoningen, in de hoogte en in de breedte. Langs de randen van de grote steden verrijzen muren van hoogbouw. Aan gene zijde wordt intussen naarstig doorgewerkt aan uitgestrekte laagbouw. In het Hollandse Manhattan resideren kapitaalsintensieve bedrijven en hogere middengroepen. In het vaderlandse Los Angeles woont de lagere middenklasse.

Omdat bouwen nog altijd met handen en voeten is gebonden aan reglementen lijkt het alsof dit allemaal volgens plan gebeurt. Maar dat is meer ordening achteraf. In feite woedt in Nederland een ,,planologische burgeroorlog'', zoals H.J.A. Hofland eens heeft vastgesteld.

MOET DIT ZO doorgaan? Nee. Hoewel demografische prognoses altijd natte vingerwerk zijn – mensen plegen zich in de praktijk toch anders te bewegen of voort te planten dan de theorie vooronderstelt – gaat Nederland richting méér inwoners. Aangezien het ideaal `huis & haard' hier een van dé traditionele waarden is, moet er dus flink worden doorgebouwd. In de Vijfde Nota over de ruimtelijke ordening, die ter wille van het `draagvlak' tot stand komt via talloze praatsessies, zullen de contouren daarvoor geschetst worden. In de hoop nog enige greep te houden op de ontwikkelingen en de werkelijkheid tegelijkertijd niet te negeren, zal daarin het begrip `netwerkstad' zijn intrede doen. Hoe die er zal uitzien, weet niemand, maar het klinkt gewichtig en vooral ordelijk.

Vermoedelijk zal de keuze tussen hoog of breed elders worden gemaakt: namelijk op de markt. Door het dichtslibben van Nederland en de bevolkingsgroei stijgen de prijzen voor grond en onroerend goed nu al jaren in hoog tempo. Dat alleen al noopt tot hernieuwde aandacht voor hoogbouw. De Vijfde Nota moet die werkelijkheid erkennen – menselijke woonwensen laten zich amper sturen – en de vraag beantwoorden of en hoe vervolgens voorkomen kan worden dat er drie soorten woonwijken ontstaan: chique flats voor de gegoede stedelijke elite, doorzonhuizen voor de doorsnee burger en anonieme kazernes in buurten van de stadsvernieuwing voor de lagere sociale groepen en allochtonen.

DAT VEREIST inderdaad onorthodoxe realiteitszin. Maar klassieke planologische pretenties zullen uitmonden in nieuwe Bijlmermeers. Daarop zit hoe dan ook niemand te wachten.