PRATEN OP HET VELD IS EEN KUNST

In Sydney galmt zijn stem voor het laatst over het kunstgras. Hockey- doelman Ronald Jansen (36) over zijn laatste opdracht, de noodzaak van praten en zijn schorsing na het beruchte `stickincident' waardoor het afscheid van de hoofdklasse grondig werd verpest. ,,De bond had een zondebok nodig.''

Zijn geest wil nog wel, daar ligt het niet aan. Maar het lichaam komt steeds vaker en steeds heviger in opstand. ,,Tot voor kort was ik van elastiek, een trekpop voor wie niets te veel of te dol was. Op trainingen bij Den Bosch ging ik de sprintduels met die jonge jongens niet uit de weg. Die tijd is voorbij. Ik ben strammer geworden, minder soepel en gedwongen om naar mijn lichaam te luisteren.''

Zesendertig is hij nu, de robuuste doelman van de Nederlandse hockeyploeg die, net als collega-routinier Jacques Brinkman (34), alle grote titeltoernooien op zijn naam schreef: EK, WK, Champions Trophy en Olympische Spelen. Maar denk niet dat Ronald Jansen, mede-eigenaar van een stropdassenfirma en vader van twee kinderen (,,de derde is op komst''), bezig is met een vrijblijvende afscheidstoernee die hem volgende maand min of meer toevallig in Sydney brengt. Het heilige vuur brandt nog altijd. ,,Ik heb weliswaar alles gewonnen, maar het zou een enorme domper zijn als het in Sydney fout gaat. Tot voor kort kon ik na een verloren finale nog zeggen: jammer, volgende keer beter. Dat kan niet meer. Dat besef leeft heel sterk.''

Twee jaar geleden, na de wereldtitel in Utrecht, gingen velen er vanuit dat hij zijn afscheid zou aankondigen. De cirkel was immers rond. Maar de eigenzinnige Brabander besliste anders. ,,Zelf heb ik die gedachte geen moment gehad. Waarom zou ik ook? Ik was weliswaar `al' 34, maar nog fris genoeg en voor m'n gevoel nog niet toe aan een afscheid.''

Zo groot is zijn eerzucht dat Jansen de afgelopen weken, bij het oefentoernooi in Hamburg en de testserie tegen Zuid-Korea in Amstelveen, mokkend plaats nam op de reservebank, toen bondscoach Maurits Hendriks besloot om zijn tweede en derde keus, Guus Vogels en Michiel van der Struijk, een kans te geven. ,,Ik zit in het Nederlands elftal om te spelen, niet om op de bank te zitten. Natuurlijk moet Guus af en toe een wedstrijdje meepikken. Dat begrijp ik ook wel. Maar als zelfs de derde doelman speelminuten krijgt, blijft er weinig over. Terwijl in wedstrijden de details worden bepaald, de juiste afstemming tussen de verschillende linies wordt gevonden, die straks in Sydney de doorslag zal geven. Maar goed, waar maak ik me druk om? Maurits weet hoe ik erover denk. Nu de groep is teruggebracht, schijnt de olympische voorbereiding echt begonnen te zijn.''

Die voorbereiding doet volgens de 172-voudig international in nog maar weinig opzichten denken aan die van vier jaar geleden. ,,Toen hadden we een paar jaar niets gewonnen. Een keer tweede bij het WK, dat was het. Vanuit het niets sloegen we toe in Atlanta. Sindsdien hebben we drie keer de Champions Trophy gewonnen en zijn de wereldkampioen geworden. We zijn nu dus de te kloppen ploeg, waar alles en iedereen jacht op zal maken.''

Zelfgenoegzaamheid, al zo vaak spelbreker bij de hockeyers, ligt ook nu weer op de loer, beseft Jansen. ,,Hoewel ik tot dusverre geen reden heb om aan te nemen dat deze groep het lichtzinning opvat. Iedereen weet dondersgoed dat we bij de laatste Champions Trophy met een beetje meer tegenslag niet eerste, maar vierde waren geworden. Vergeet niet dat we op één na (Nederland-Australië 3-1, red.) alle wedstrijden met maar één doelpunt verschil hebben gewonnen. Zo klein zijn de krachtsverschillen.''

Met de eerste plaats bij het zeslandentoernooi in Amstelveen sloot de wereld- en olympisch kampioen een hectische periode af, die anderhalf jaar eerder begon toen assistent Hendriks het roer overnam van Roelant Oltmans. Jansen, cynisch: ,,Ik hoor iedereen maar roepen dat we begin dit jaar, tijdens de oefentrip in Egypte, zulke goede gesprekken hebben gevoerd en dat daar de ommekeer kwam. Ik deel die mening niet. We hebben elkaar toen inderdaad diep in de ogen gekeken. Maar pas tijdens de Champions Trophy bleek dat iedereen ook daadwerkelijk weer met hetzelfde idee op het veld stond.''

Wat niet wegneemt dat hij, de keeper met het hart op de tong, vorig najaar de aanzet gaf tot de grote ommezwaai. Tijdens het EK in Padova zette hij Hendriks immers op zijn nummer met de opmerking dat de opvolger van succescoach Oltmans ,,een Pietje Precies'' is. ,,Geen detail ontgaat hem'', meende Jansen in een vraaggesprek met deze krant. ,,Zijn goed recht, maar volgens mij draait hockey vooral om mensen. Om elf tegen elf waarbij de ene partij meer doelpunten moet maken dan de ander.''

Spijt van zijn uitlatingen heeft Jansen niet. Het doel heiligt de middelen. ,,Het was nodig de boel wakker te schudden. Onderling zat het niet lekker. Een hoop gemekker, hockey was bijzaak. In zulke gevallen moet iemand het voortouw durven nemen. Als een van de ouderen kost mij dat minder moeite dan een jongere speler. Ik hoef niet zonodig de populairste jongen te zijn. Bovendien wil ik mezelf na afloop van een groot toernooi niet het verwijt kunnen maken dat ik er niet alles aan gedaan heb. Waar het om gaat is prijzen pakken. Na afloop is iedereen dan weer even goede vrienden.''

Zijn verbale uitspattingen riepen herinneringen op aan het WK in Utrecht, toen Jansen na de afstraffing tegen Duitsland (1-5) openlijk zijn beklag deed over het in zijn ogen falende middenveld. Twee dagen later liepen – toeval of niet – uitgerekend de middenvelders de longen uit hun lijf, waarmee zij onbedoeld de heilzame werking van het conflictmodel onderschreven. Al beweert Jansen geen aanhanger te zijn van die theorie. ,,Als het aan mij ligt, geven we elkaar elke dag een aai over de bol. Maar de realiteit is dat sport zo niet werkt. Harde woorden zijn zo nu en dan onvermijdelijk. De weg naar succes is geen geplaveide weg.''

Toch is het de vraag waarom Jansen, niet de aanvoerder per slot van rekening, telkens de rol van waakhond op zich neemt. Stellig: ,,Iemand moet het doen, maakt niet uit wie. Dat ik het negen van de tien keer ben? Ach, wat moet ik daarop zeggen? Het is gemakkelijker je mond te houden en aan te sluiten in de rij. Maar dat zit niet in mijn karakter. In die zin is het ook geen offer dat ik breng. Ik doe slechts wat mijn gevoel mij ingeeft. Waar ik niet tegen kan is dat iedereen ziet dat het niet loopt, maar niemand dat durft te beamen.''

Zijn critici, en dat zijn er nogal wat, weten het zeker: de verbale kwaliteiten van Jansen zijn even groot als zijn technische vermogens. ,,Dat beschouw ik als een compliment. Voor de buitenwereld ben ik dan misschien diegene die constant loopt te schreeuwen en te blèren in het veld. Maar, en daar gaat het om: een keeper moet praten, sturen en aanwezig zijn. Dat vragen de verdedigers, zo van: laat horen dat je d'r bent, zet ons op de juiste plaats. Zo moet het ook zijn, want keepen is niet alleen maar ballen stoppen. Hoe meer ik praat, hoe minder ballen ik op de goal krijg. Den Bosch heeft de laatste vier, vijf jaar niet voor niets de minst gepasseerde verdediging van de hoofdklasse gehad.''

Het stigma van een luidruchtig, opgewonden baasje wiens ongeremde fanatisme hem zo nu het zicht op de realiteit ontneemt, zal Jansen vermoedelijk tot in lengte van dagen blijven achtervolgen. Al strookt het beeld niet met de werkelijkheid, zegt hij. ,,Geloof het of niet, maar in het dagelijks leven ben ik een rustige en zachtaardige jongen. Klanten bij wie ik over de vloer kom, verbazen zich daar over. `Op het veld ben je altijd zo druk en hier ben je zo rustig, hoe kan dat?', krijg ik regelmatig te horen.''

Afgelopen seizoen werd het negatieve imago versterkt, toen Jansen in het play-offsduel tegen Amsterdam, in het tumult na de onterecht afgekeurde treffer van de thuisploeg, een stick het publiek inslingerde en daarbij een toeschouwer verwondde. Een schorsing van drie duels voorkwam een passend afscheid van de Nederlandse hoofdklasse. Die zwarte bladzijde slaat Jansen liever niet meer open. ,,Gelukkig bleek die beste baas, afgezien van een hoofdwond, ongedeerd te zijn. Dat is voor mij het enige lichtpuntje. Voor de rest? Als ik zo nu en dan terugdenk aan die bewuste avond, word ik emotioneel. Zozeer heeft het mij aangegrepen. Ik ben in de fout gegaan, maar niet met opzet zoals hier en daar is gesuggereerd.''

Het daadkrachtige optreden van de hockeybond leek verdacht veel op een afrekening. Zover wil Jansen niet gaan, want: ,,Ik weet dat ik niet de populairste hockeyer ben. Maar het kan niet zo zijn dat ze me op de valreep alsnog te grazen nemen, omdat ik het de afgelopen zeventien jaar zo bont heb gemaakt. Die gedachte wil er bij mij niet in. Het was duidelijk dat ze een zondebok nodig hadden en die vonden ze in mij. Er was die avond zoveel gebeurd dat de bond een signaal wilde afgeven. Binnen een paar uur kreeg ik een schorsing aan m'n broek. Terwijl het onderzoek naar het gedrag van de spelers van Amsterdam nog steeds loopt. Beroep was in mijn geval niet mogelijk en een advocaat hoefde ik ook niet mee te brengen.''

Hetzelfde gold voor oud-bondscoach Roelant Oltmans. ,,Roel was bereid om voor mij te getuigen en persoonlijk naar Bunnik te komen. Twee uur voor de zitting kreeg hij een telefoontje dat zijn aanwezigheid niet op prijs werd gesteld. Wat me verder verbaasde: zelfs de drie getuigen van het slachtoffer verklaarden dat ik die stick weggooide nadat wij een strafbal hadden gekregen. Ze kunnen er een draai aan geven, maar waarom zou ik uit woede een stick de tribune inslingeren op het moment dat wij een strafbal krijgen?''

Na `Sydney' lonkt een leven zonder hockey. ,,Al kan ik me daar moeilijk een voorstelling bij maken. Nu zeg ik: heerlijk dat ik straks niet vier keer per week weer met hockey bezig hoef te zijn. Ik ben druk genoeg met m'n werk en zoals gezegd, in december komt ons derde kind. Maar vraag het me over drie maanden weer en ik weet niet wat ik zal antwoorden.''

Bij Den Bosch wierp Jansen zich de laatste jaren al op als secondant van coach Toon Siepman. Schuilt in de praatgrage doelman wellicht een potentiële hoofdcoach? Bedachtzaam: ,,Keepen is coachen: mensen neerzetten, strategieën uitdenken bij de cornerverdediging, verdedigers sturen bij een aanval van de tegenpartij. Toch is het niet helemaal hetzelfde, want de verantwoordelijkheid van een coach reikt verder. Zoals gezegd: ik weet niet wat er na Sydney op me afkomt. Voorlopig ben ik nog niet gevraagd.''

Mocht het ooit zover komen, weet Jansen één ding zeker: hij zal het anders doen dan de meeste coaches. ,,Sinds wij in Amstelveen trainen heb ik anderhalve clubcoach langs de lijn zien staan. Ik vind dat onbegrijpelijk. Het internationale hockey zet de toon, daar wordt het uitgevonden. Als ik voorzitter was, had ik mijn coach naar trainingen van het Nederlands elftal gestuurd. Om te kijken, om te leren, om kennis op te zuigen. Maar nee hoor, ze gaan liever met vakantie.''

    • Mark Hoogstad