Leed per saldo

Binnen de joodse gemeenschap laaiden felle discussies op over de restitutie van het geld dat zij in de oorlog verloren. Binnen het Amsterdamse gezin Van der Sluis dachten drie generaties er ook verschillend over. `Mensen zijn jaloers op elkaars leed.'

Meijer (74) en Ted (73) van der Sluis wilden het geld aanvankelijk niet hebben. Nog steeds niet eigenlijk. Toen de discussie over de joodse tegoeden begon, zeiden ze tegen elkaar: ,,Moet dat nou?'' Het woord `pokkengeld' viel. ,,Ze kunnen hun rotgeld houden'', had Ted gezegd.

Toen hadden we het geld hard nodig, zegt Meijer, ,,Nu niet meer. Ik heb – als werkstudent en met het inkomen van mijn vrouw – kunnen studeren, mijn hele leven gewerkt en krijg nu een goed pensioen. We leven als god in Frankrijk.'' Hij weet dat ze wel récht hebben op het geld. Hun dochter Mirjam (46), medewerkster bewonerszaken bij een Amsterdamse woningscoöperatie, heeft haar ouders daarvan overtuigd. Ze zei tegen haar vader: ,,Hoe haal je het in je hoofd om het geld niet aan te vragen?''

De afgelopen maanden is er in de flat van het echtpaar Van der Sluis veel gesproken over de verdeling van de joodse tegoeden. Ook met kleindochter Dafna, die boeken over de Tweede Wereldoorlog verslindt. Sommige zijn te moeilijk, dan vraagt ze haar moeder om mee te lezen en dan praten ze er over. Na de zomer gaat ze naar de mbo-opleiding voor hotelgastronomie.

Dafna is zestien, ongeveer de leeftijd waarop haar oma naar het concentratiekamp moest en opa ,,'m smeerde om te vluchten''.

Drie generaties Van der Sluis zitten op maandagmiddag aan tafel, één hoog in Amsterdam Zuid-Oost. Dafna ziet het geld als het recht van haar grootouders. Mirjam ziet het als haar plicht om te vechten voor wat haar ouders toekomt. ,,Wij zijn strijdvaardiger'', verklaart ze de stelling van haarzelf en haar dochter. Meijer verdedigt zich, hij vindt zichzelf strijdvaardig genoeg. Maar zo bedoelde ze het niet, zegt Mirjam en legt haar hand op de arm van haar vader. Het is nu eenmaal makkelijker om voor iemand anders op te komen dan voor jezelf, verduidelijkt ze zichzelf.

Meijer: ,,Ik wil best voor mezelf opkomen hoor, maar niet voor die centen.'' Vooral onder de ouderen zijn er veel die het geld niet willen hebben, weet hij. Of die daarover twijfelen.

Meijer en Ted ontmoetten elkaar op het Amsterdamse Gicol, een openbare school voor kinderen die tijdens de oorlog een leerachterstand hadden opgelopen. Hij noemt haar nog steeds zijn `schoolvriendinnetje' en dan raken haar mondhoeken bijna haar oren.

Ze zijn mild, hebben respect voor de mensen van het Centraal Joods Overleg (CJO), die, zeggen ze, hun nek hebben uitgestoken en scheldkanonnades als dank kregen. Maar voor Meijer en Ted had het niet gehoeven. Ze zijn gewend geraakt aan het onrecht dat hun is overkomen. Al het andere valt daarna in het niet. Ze moesten verder en de discussie over wie hoeveel geld krijgt, rijt alleen maar oude wonden open. Misselijk wordt ze ervan, zegt oma.

Achterban

Het verdelingsplan van het CJO voorziet in een uitkering voor iedereen van joodse afkomst die tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945 enige tijd in Nederland woonde en hier is vervolgd of beroofd. Na drie onderhandelingsronden heeft het CJO in totaal 764 miljoen gulden te verdelen. Het grootste gedeelte daarvan, 639 miljoen, komt van de overheid, de verzekeraars, de banken en de effectenbeurs en is bestemd voor individuele slachtoffers. Daarnaast gaat er 50 miljoen naar internationale humanitaire organisaties en is 25 miljoen gulden van de verzekeraars en 50 miljoen gulden van de banken beschikbaar voor zogenoemde gedocumenteerde individuele claims. De Tweede Kamer moet het plan nog goedkeuren, waardoor de uitbetaling op zijn vroegst op 1 oktober kan beginnen.

Direct na het presenteren van het plan, eind juli, kwam de kritiek. Federatie Organisaties Shoah Overlevenden (FOSO) vindt dat slachtoffers uit gemengd joodse families minder hebben geleden van de jodenvervolging dan slachtoffers uit volledig joodse gezinnen en dreigde met een kort geding. In FOSO verenigden zich drie organisaties, waarvan het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers met een kleine vijfhonderd leden de grootste is.

Het Platform Israel vindt dat kinderen die als wees uit de oorlog kwamen, meer geld moeten krijgen dan de andere slachtoffers. Ook vraagt de organisatie zich af waarom weduwen en weduwnaars die pas na de oorlog zijn getrouwd met iemand die rechthebbende zou zijn geweest, worden uitgesloten. Weer andere organisaties menen dat de tweede generatie in verhouding te veel geld krijgt, ten koste van de ouderen om wie het eigenlijk gaat. Het CJO zou te veel aan zijn eigen achterban gedacht hebben.

De huidige discussies over wie recht heeft op hoeveel geld gaan alle proporties te buiten, vinden alle vier de Van der Sluisen. Ted verbaast zich over het onnoemelijke aantal verenigingen dat zich nu kenbaar maakt: ,,We zijn allemaal actief in het joodse leven, maar van sommige stichtingen hadden we nog nooit gehoord.'' Ook uit het buitenland laten verschillende verenigingen van zich horen. Alsof de verkiezingen er aan zitten te komen en allerlei nieuwe partijtjes met slechts een of twee onderwerpen op de agenda van zich laten horen. Partijen waarvan je na de verkiezingen niet meer hoort.

Het gaat deze mensen en de stichtingen niet om het geld, denken de Van der Sluisen. Het gaat ze om het leed: wie het meeste geld krijgt heeft het meest geleden. Wie niet geleden heeft, hoort er niet bij.

Meijer, die hulpverlener en later staffunctionaris was bij het Joods Maatschappelijk Werk, heeft er huwelijken op stuk zien lopen, zegt hij. Kampoverlevenden en onderduikers die elkaars ellende niet kunnen begrijpen. Broers waarvan de één voor en de ander na de oorlog is geboren. De oudste verwijtend naar zijn jongere broer: jij was er niet bij. De jongste jaloers op de oudste die wél mag meepraten.

Ted: ,,Mensen zijn jaloers op elkaars leed, omdat ze anders niet kunnen meepraten. Het is eigenlijk te gek voor woorden.''

Meijer: ,,Mensen zeggen niet `het ene kamp was erger dan het andere', ze zeggen `mijn kamp was het ergste'.''

,,Het leed wordt op een goudschaaltje gewogen. Iedere keer weer die discussie'', zegt Mirjam. ,,Met een half nummer in je arm krijg je dit, met een heel nummer dat. Dan denk ik: kom maar hier met dat geld, daar weet ik wel een goede bestemming voor. Dat het niet bij de Nederlandse staat of de effectenhandelaren moet blijven, dat weet ik in ieder geval zeker.''

Ook Rob Wurms, voorzitter van het CJO , dat de onderhandelingen over de joodse tegoeden voerde, is ervan overtuigd dat de discussie daarover eigenlijk draait om de hiërarchie van het oorlogsleed. Keer op keer hamert zijn stichting erop dat het bij de verdeling van het geld niet gaat om smartengeld, maar om de restitutie van geroofd bezit. Maar de meesten kunnen het oorlogsleed en het gestolen geld niet los zien van elkaar, zegt hij. ,,Daarbij is het voor veel mensen moeilijk zich te realiseren dat hun leed niet exclusief is, maar ook bij anderen bestaat. Ik ben zelf een onderduikbaby. Hoe vaak ik niet te horen heb gekregen dat ik alle geluk heb gehad. Terwijl mijn hele familie is omgekomen.''

De mond snoeren

De joodse gemeenschap in Nederland bestaat niet, zegt Wurms, en dat heeft hij de afgelopen maanden nog eens flink bewezen gezien. Gemengd gehuwden kwamen tegenover joodse echtparen te staan, jongeren tegenover oudere generaties, individuen tegenover joodse organisaties, onderduikers tegenover kampoverlevenden, kampoverlevenden tegenover elkaar: `Theresienstadt stelde niks voor'.

Mirjam: ,,Toen ik een vriendin vertelde dat we naar Westerbork gingen, omdat Dafna dat graag wilde zien, zei zij: Westerbork is toch niks, je moet naar Auschwitz gaan.''

Ted van der Sluis lacht erom. Een van haar vrienden bekte eens tijdens een gesprek zijn zoon af en zei: `Hoe durf je dat te zeggen, jij hebt het niet meegemaakt'. Ted nam het voor hem op. ,,Hoe durf jij je zoon de mond te snoeren'', was haar repliek. Tegen haar zeggen mensen altijd met respect: ,,Ja, maar jij hebt zoveel meegemaakt.'' Maar ieder heeft recht op zijn eigen mening en zijn eigen leed en ieders leed is het maximale leed, daarvan zijn zij en haar man overtuigd.

Ted Springer was vijftien toen ze naar de Hollandsche Schouwburg werd gebracht, vanwaar de transporten naar de concentratiekampen vertrokken. Haar vader zat toen al in het Oranjehotel in Scheveningen, haar zus in Vught, waar Ted ook terechtkwam. Van Vught in 1944 – zonder haar zieke zus – naar Auschwitz.

Tot mei 1945 zat Ted in elf verschillende Duitse en Poolse concentratiekampen. Op haar achttiende werd ze met een paar honderd andere kampoverlevenden uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen.

Meijer heeft tijdens de oorlog, met zijn vier jaar oudere broer, ondergedoken gezeten bij tientallen gezinnen – bij sommige voor maar een nacht. Zijn ouders en zijn twee jaar jongere zusje waren toen al opgepakt en hebben de oorlog niet overleefd.

Ted en Meijer wilden zich nooit aansluiten bij joodse organisaties. Ted: ,,Nu zijn we donateur van het Nederlands Auschwitz Comité, maar hoe lang dat niet geduurd heeft... Ik had er helemaal geen zin in, ik wilde geen Auschwitzje spelen.''

Als maatschappelijk werker heeft Meijer veel mensen gezien die ,,leven in de identiteit van de vervolging''. ,,Ze zijn er in blijven steken.''

Mirjam vertelt dat haar – inmiddels overleden – schoonmoeder haar geld niet op de bank durfde te zetten. In een kast in haar huis had ze altijd een koffer met kleren klaarstaan voor het geval dat ze opnieuw zou moeten vluchten. Tijdens de oorlog had ze ondergedoken gezeten. ,,Als ik naar haar keek, zag ik iemand die zich wentelde in het oorlogsleed. Ze vond dat zij het ergste van het ergste had meegemaakt en praatte over niets anders. Ze had niet de kracht zich er over heen te zetten.''

Dafna maakt zich intussen druk over het gebrek aan daadkracht bij het verdelen van het geld: ,,Als ik hoor dat mensen de enkeltjes van de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork zelf moesten betalen aan de Nederlandse Spoorwegen, dan denk ik: waarom geeft de overheid het geld nu niet gewoon?''

Ted: ,,Aan mij hebben ze lekker niks verdiend, ik moest lopen.''

Haar klasgenootjes denken er anders over, gaat Dafna verder. Die zeggen onverschillig: ,,Mijn grootouders hadden er recht op, maar die leven niet meer. Ik was er niet bij, wat heb ik ermee te maken.''

De oorlog is geschiedenis en dat gezeur over geld moet maar eens ophouden, is de stelling van veel joodse tieners en twintigers. Op school wordt Dafna ook niet veel wijzer. ,,De meeste klasgenoten weten nog net dat de Tweede Wereldoorlog tussen 1940 en 1945 was en daar houdt het mee op.'' Vier bladzijden van het geschiedenisboek gingen over de Tweede Wereldoorlog: twee lessen in twee weken, een proefwerk en toen ging de leraar verder met de Nederlandse koloniën. ,,Bij veel joodse jongeren is het onderwerp thuis taboe, de meeste grootouders zijn overleden of spreken er nauwelijks over.''

Meijer begrijpt dat het verleden van Ted en hem voor veel jongeren geschiedenis wordt. Zijn eigen moeder heeft bijvoorbeeld vluchtelingenwerk gedaan in de Eerste Wereldoorlog, daar praatte zíj vaak over. ,,Uit beleefdheid zei ik het nooit, maar ik dacht wel eens: schei nou maar uit, het is geschiedenis.''

Ook Wurms van het CJO hoorde veel jongeren zeggen: `het gezanik over de oorlog moet maar eens ophouden'. En een oudere vrouw vroeg hem te wachten met de onderhandelingen tot na haar dood. ,,Het is een onaangename discussie, maar er was een probleem en we kozen ervoor het op te lossen, ook al is het vijfenvijftig jaar geleden. Zo konden we een deur dicht trekken.''

Ted en Meijer hebben besloten het geld toch aan te nemen. Waarom? ,,Het is moeilijk om terug te redeneren. Het heeft minder met logica te maken dan met emoties.'' De kinderen en kleinkinderen hebben er zeker een rol in gespeeld – ,,daardoor zijn we in ieder geval overstag gegaan''. Maar ook hun ergernis over de verdelingsdiscussie: ,,Als je de lieden ziet die graaien naar het geld, dan denk ik dat het beter naar ons toe kan gaan, zodat we zelf kunnen bepalen waar het naar toe gaat. We hebben gezien hoe hebzuchtig mensen kunnen zijn. Maar er zijn ook veel joodse mensen die onder de armoedegrens leven. Oudere mensen met alleen AOW, of alleenstaande moeders met kinderen.'' Het grootste deel van het geld willen de Van der Sluisen wegschenken. ,,Wij hebben er een goede bestemming voor.''

    • Esther Rosenberg