KIND MET IMAGINAIR VRIENDJE VAAK ENIG KIND OF OUDSTE

Kleuters met imaginaire vriendjes onderscheiden zich niet van andere kinderen in de hoeveel gewone vrienden of in hun functioneren in de (kleuter)klas. Het enige duidelijke verschil is dat kleuters met een imaginair vriendje veel vaker de oudste thuis zijn of enig kind.

Dit blijkt uit interviews met 78 moeders van kleuters uit twee kleuterscholen in Minnesota. Om mee te tellen als imaginair vriendje moet een fantasiekameraadje minstens een maand aanwezig zijn in het leven van het kind. In totaal waren 128 moeders voor het onderzoek uitgenodigd. Van de kleuters bleken er 24 (12 jongens en 12 meisjes) een imaginair vriendje te hebben, hetgeen op de totale onderzoekspopulatie van 128 neerkomt op een percentage van bijna 20 procent. Dat is geen ongewoon percentage: in eerder onderzoek worden getallen van 6 tot zelfs 65 procent genoemd (Developmental Psychology, juli). Vroeger werden imaginaire vriendjes als psychologisch ongezond beschouwd, maar daarvoor zijn nooit aanwijzingen gevonden.

Sommige kinderen uit dit onderzoek bleken een heel imaginair vriendenclubje te bezitten. Zoals de `Star Friends and Heart Fan Club' waarmee het betreffende kind zelfs een eigen taal (`Hobotchi') sprak. Een ander kind beschikte over een imaginaire kudde koeien in alle kleuren en maten, die pas ontdekt werd toen de vader van het kind op een van de koeien ging staan. In andere gevallen was het imaginaire vriendje in feite een variant op een werkelijk schoolvriendje, met ook dezelfde naam. De relatie met de imaginaire vriendjes was vrijwel altijd welwillend en vriendelijk. Welke interacties met broertjes en zusjes, of het ontbreken daarvan, te maken hebben met het ontstaan van de imaginaire vriendje moet nader onderzocht worden, aldus de psychologen.

In een recent artikel in het Journal of Genetic Psychology (dec. 1999) zijn meer kenmerken van kinderen met imaginaire vriendje (IV) zijn te vinden, gebaseerd op een enquête onder de ouders van 900 kinderen, in de leeftijd van 2 tot 9 jaar. Daarvan bleken er 81 een imaginair vriendje (9 procent van de totale onderzoekspopulatie) te hebben of te hebben gehad. Er was geen verschil in de hoeveelheid sprookjes e.d. die de kinderen met of zonder IV kregen voorgelezen, maar de IV-kinderen verzonnen anderhalf keer keer zo vaak als de andere kinderen zèlf mythische verhalen. Het vaakst spelen de kinderen thuis met hun denkbeeldige vriendje, zonder dat er andere kinderen bij zijn.