Hongaren roeren driftig in zeer oude olie

De penetrante olielucht wil maar niet optrekken in het Hongaarse parlement. Twee dagen lang probeerden de politici deze week hun handen te wassen, maar het ruikt nog steeds stevig. Dat vindt althans tweeëntachtig procent van de bevolking. Zij zijn ervan overtuigd dat honderden hooggeplaatste politici en zakenlieden vuile handen hebben. Premier Viktor Orbán speelt daar graag op in en wil nu de regeringen die voor hem in Hongarije aan de macht zijn geweest aan de tand laten voelen.

Het olieschandaal in Hongarije heeft een lange en ingewikkelde geschiedenis. Het verhaal begint in de vroege jaren negentig toen de toenmalige eerste democratische regering van het land besloot om een verschil te hanteren in de olie die bedoeld was om huizen te verwarmen en de olie die in de vorm van diesel aan de pomp werd verkocht.

Hongarije was min of meer van de ene dag op de andere aan de vrije markt overgeleverd en moest dat op één of andere manier doorberekenen aan de consumenten in de vorm van BTW. Om de gewone burger, die zijn inkomen toch al had zien kelderen, enigszins te sparen werd besloten op huisbrandolie géén BTW te heffen.

Twee prijzen dus voor één product. Dat kón niet goed gaan en het duurde dan ook niet lang of handelaren begonnen bergen geld te verdienen door olie als huisbrandolie te importeren om die vervolgens als diesel door te verkopen.

Een ex-militair uit Szeged vertelde me ooit hoe ongelooflijk gemakkelijk het allemaal was. De douane was omkoopbaar, de politie deed een oogje toe en de olie stroomde rijkelijk. Toen de regering wat aan de situatie begon te doen door de huisbrandolie van een kleurtje te voorzien haalden de olie-oplichters de kleurstof er even gemakkelijk weer uit. Het gezag was geen partij en de oliemafia wist zich tot in de hoogste kringen beschermd, verzekerde de ex-militair me, die het geheel vooral als een soort sport leek te beschouwen.

Pas in het midden van de jaren negentig wisten de autoriteiten een einde te maken aan de praktijken van de slimme jongens. Ze waren inmiddels honderden miljoen guldens aan belastinginkomsten misgelopen, geen gering bedrag in een land in transitie met een per definitie lege schatkist.

Twee regeringen later staat de olieaffaire weer op de agenda alsof het allemaal gisteren plaatsvond. Reden is de activiteit van de parlementaire commissie onder leiding van de soms wat chaotisch opererende László Pallag die sinds begin dit jaar `de waarheid' boven water probeert te krijgen. In eerste instantie achter gesloten deuren, maar naarmate het onderzoek vordert steeds meer voor het oog van de camera.

Aan het begin van de zomer begon de commissie te lekken. Er bleek een getuige te zijn uit de onderwereld, ene Zsolt Nógrádi, die alle `feiten' op tafel had gelegd. De Hongaarse media begonnen te koken en twee dagen later zat de bewuste Nógrádi zelf bij het commerciële televisiestation RTL-klub om het voor het publiek nog eens in eigen woorden uit te leggen. Hij zei bewijzen te hebben dat onder anderen de huidige minister van Binnenlandse Zaken, Sándor Pintér, indertijd hoofd van de politie, en oud-minister van Financiën Iván Szábo direct bij de zaak betrokken waren.

De Hongaarse publieke opinie riep schande en begon te smullen. Want inmiddels was ook bekend geworden dat de Russische mafia onder leiding van de gevreesde Semjon Mogilevitsj partij in de oliekwestie was geweest. Dat was althans wat Tamás Boros, vooraanstaand lid van de mafia in Boedapest en politie-informant, tijdens een verhoor had verteld. Boros werd twee jaar geleden op spectaculaire wijze opgeblazen in het centrum van de Hongaarse hoofdstad. De daders van de aanslag zijn uiteraard nooit gepakt.

Het olieschandaal heeft het hele politieke spectrum beroerd, van rechts dat begin jaren negentig aan de macht was, tot links dat daarop volgde. Ze geven elkaar uiteraard de schuld en de buitengewone zitting van het parlement die deze week bijeen was geroepen om het imago van de democratie te versterken had dan ook niet veel effect.

Een lid van de regeringspartij van Orbán, FIDESZ (Jonge democraten), maakte de socialisten uit voor ,,misdadigers, wier verleden in olie gedrenkt is''. De socialistische oud-premier Gyula Horn sprak in een reactie van `donkere manipulaties'. Het werd, zoals zo vaak in het statige Hongaarse parlementsgebouw, een ordinaire scheldpartij en het publiek werd weinig wijzer.

Want Pallag, de voorzitter van de speciale parlementaire oliecommissie, heeft nog altijd geen harde bewijzen op tafel kunnen leggen. Net zo min als de verklikker Nógrádi.

Toch blijft Pallag vasthouden aan zijn mening dat de illegale oliehandel nooit op deze schaal mogelijk was geweest zonder hulp van het gezag. Het publiek lijkt zich al te hebben neergelegd bij de constatering dat de `waarheid' waarschijnlijk wel nooit boven water zal komen. Het speculeren over de grote vissen gaat daarom onverminderd door.

    • Renée Postma