Hermans

ROEL IN 'T VELD, bestuurskundige, is hoogleraar aan maar liefst drie universiteiten. Hoe geleerd hij wel niet is, blijkt maar weer eens uit zijn ideeën over onderwijs zoals hij die onlangs toevertrouwde aan de Volkskrant. Hij riep daarin scholen op de aannemer te bestellen om hun gebouw te vertimmeren en de rekening naar Zoetermeer te sturen. Een onnozel idee, zult u zeggen, maar het was natuurlijk ook niet serieus bedoeld. Het diende louter als tam-tam om aandacht te vragen voor zijn eigenlijke boodschap. Wat hield die in?

`Ouders willen', aldus In 't Veld, `het beste voor hun kind. Ze hebben geld, steeds meer geld. Maar dat geld mag niet naar onderwijs. De overheid verbiedt in feite dat burgers hun private koopkracht aanwenden voor het onderwijs aan hun kinderen. Die obsessieve angst voor een tweedeling verlamt het hele onderwijs.' Tot zo ver In 't Veld.

In de jaren tachtig ging alle politieke aandacht uit naar die sectoren die van direct belang waren voor onze economie. Daar hoorde onderwijs klaarblijkelijk niet toe: daarop werd drastisch bezuinigd. Toen de economie vervolgens groeide en bloeide, werden de collectieve lasten verlaagd en raakten de uitgaven voor onderwijs steeds verder achterop bij de toegenomen welvaart. In de jaren dat niemand belangstelling toonde voor onderwijs, heeft In 't Veld als hoge ambtenaar meegeholpen het onderwijs uit te kleden. Nu de mode wil dat er meer geld naar onderwijs gaat, komt de eigentijdse geleerde met het advies van ieder voor zich dat evenzeer de heersende tijdgeest van individualisering weerspiegelt. Wat zullen de gevolgen zijn?

Ouders zullen alleen bereid zijn om extra geld te betalen voor de school van hun kinderen, wanneer ze de gewone school niet goed genoeg vinden. Je krijgt dan dus een tweedeling afhankelijk van sociale achtergrond, waarbij de meest geprivilegieerden het beste onderwijs krijgen. Dit voorstel wordt gedaan in een land dat in het Westen een van de koplopers is in welvaart en achteraan sukkelt waar het de uitgaven voor funderend onderwijs betreft. Dat vind ik triest. Maar nog veel en veel triester is het dat de minister van onderwijs het idee onderschrijft met als motivering: `Waarom zou ik zeggen: U mag wel een extra week vakantie, maar geen extra geld in het onderwijs steken. Als het gebeurt op basis van vrijwilligheid, moeten we dat niet tegenhouden. Ik geef 1,2 miljard extra uit aan achterstandssituaties. Dat is een verdubbeling van het budget. Dus de angst voor ongelijkheid van kansen is ongegrond.' Waarmee de minister dus in feite beweert dat de achterstandsleerlingen dankzij die 1,2 miljard een bevoorrechte groep vormen.

In een samenleving die voor beschaafd wil doorgaan, hoort iedereen verzekerd te zijn van kwalitatief goed funderend onderwijs. Dat betekent dat er extra geld gaat naar die leerlingen die meer dan gemiddelde aandacht nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze doof of blind zijn of geestelijk gehandicapt. Aan dat lijstje heeft de politiek toegevoegd: kinderen van ouders met weinig opleiding of met een allochtone achtergrond. Die hebben, zo is het uitgangspunt, ter compensatie van hun achterstand eveneens extra aandacht nodig, en daar gaat volgens de geldende regels dus ook extra geld naar toe.

Over dat principe, over de hoogte van de bedragen die daarmee gemoeid zijn en zeker ook over de wijze waarop die gelden worden besteed, kun je van opvatting verschillen. De minister heeft dan ook alle recht om voorstellen te doen om dit anders te regelen, maar het is onbehoorlijk om je als verantwoordelijk bewindsman op een dergelijke, impliciete manier van een bestaande regeling te distantiëren.