Hamburgerziekte

Toediening van antibiotica bij voedselvergiftiging met E.coli O157 kan de kans op ernstige complicaties vergroten. In Nederland is deze voedselvergiftiging zeldzaam.

De variant O157 van de darmbacterie Escherichia coli (E. coli) kan een flinke diarree veroorzaken. Dat is vervelend, maar wordt pas een probleem als het hemolytisch-uremisch syndroom ontstaat. Dat treft vooral kleine kinderen en kan tot ernstige nierschade en zelfs de dood leiden. Uit een Amerikaans onderzoek blijkt dat de kans op deze complicatie toeneemt als de bacterie met antibiotica wordt bestreden.

E. coli behoort tot de normale bewoners van onze darmen en doet bijna nooit kwaad. Slechts enkele varianten kunnen problemen opleveren. Eén daarvan, E. coli O157, komt niet van nature in onze darmen voor, maar wel in die van runderen. Veel besmettingen ontstaan dan ook door het eten van rauw of onvoldoende gaar rundvlees en ongepasteuriseerde melk. Uit de Verenigde Staten, waar deze voedselvergiftiging vrij vaak voorkomt, komt dan ook de term `hamburgerziekte'. De slachtoffers krijgen diarree, vaak met bloed en slijm, en last van buikkrampen en lusteloosheid. Zonder complicaties is het leed binnen tien dagen geleden. In twee tot zeven procent – en bij epidemieën tot dertig procent – van de gevallen ontstaat echter het hemolytisch-uremisch syndroom (HUS). Er ontstaat bloedarmoede en een tekort aan bloedplaatjes, maar vooral ernstig zijn plotseling optredende nierfunctiestoornissen, die dialyse noodzakelijk maakt. HUS is bij kinderen de meest voorkomende oorzaak van acuut nierfalen.

Hoewel de voedselvergiftiging meestal vanzelf overgaat, schrijven artsen soms antibiotica voor. Over de wijsheid hiervan bestond al enige scepsis: sommige patiënten knapten er niet van op en er sommige leken er alleen maar zieker van te worden. Onduidelijk was echter waar dat aan lag: aan de middelen of aan die patiënten? Artsen die normaal niet zo snel antibiotica voorschrijven, doen dat mogelijk wel als de patiënt abnormaal ziek is. Als dit de patiënten zijn die toch al HUS zouden krijgen, dan bestaat het negatieve effect van antibiotica slechts in schijn.

Om hier meer zicht op te krijgen zijn de lotgevallen onderzocht van alle kinderen met een O157-besmetting die gedurende ruim twee jaar in vier staten van de VS werden geregistreerd. Van de 71 kinderen kregen er negen antibiotica. Van die negen kregen er vijf HUS. Onder de 62 kinderen die geen antibiotica kregen werd dit syndroom eveneens vijf maal vastgesteld. Ondanks de kleine aantallen patiënten was dit verschil significant. Andere wezenlijke verschillen tussen beide groepen ten aanzien van de oorzaak, het verloop en de ernst van de diarree werden niet gevonden. Ergo: antibiotica vergroten de kans op HUS bij voedselvergiftiging met E. coli O157 (New England Journal of Medicine, 29 juni).

Waardoor deze middelen complicaties in de hand werken is onduidelijk. Van sommige verbindingen in antibiotica is echter bekend dat zij de productie van een bepaalde gifstof (Shiga-toxine) door de bacterie bevorderen. Ook is geopperd dat deze coli-variant iets minder gevoelig zou zijn voor antibiotica dan andere darmbacteriën. Hij zou zich dan enige tijd zonder noemenswaardige concurrentie in het ecosysteem van de darm hebben vermeerderd en veel toxine hebben kunnen produceren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat patiënten met verminderde weerstand of problemen met de bloedstolling eerder HUS krijgen. Het toxine zou dan wellicht makkelijker via de darmwand in het bloed kunnen komen.

rondje bellen

Nederlandse artsen zullen niet zo vaak een voedselvergiftiging door E. coli O157 tegenkomen. Uit het maartnummer van het Infectieziekten Bulletin van het RIVM blijkt dat er vorig jaar 37 gevallen waren, oftewel ongeveer 0,2 per 100.000 inwoners. Vergeleken met de omringende landen is dat laag. In ons land hebben zich ook nooit massale uitbarstingen voorgedaan, zoals in de VS, Schotland en Japan. Daar werden in 1996 in en rond de stad Sakai ruim 8000 kinderen ziek, waarvan er vier overleden. In de jaren negentig zijn er in ons land twee geweest, waarbij vier, respectievelijk vijf mensen ziek werden. Ook het aantal gevallen van HUS is gering. De Nijmeegse hoogleraar kindergeneeskunde Mommens kwam na een rondje bellen met zijn collega's in andere academische ziekenhuizen tot een totaal van 19, zowel in 1998 als in 1999.

Vanwege de dramatische epidemieën in het buitenland en de ernst van de complicaties is enkele jaren geleden besloten om in ons land opduikende besmettingen met O157 nauwkeurig te registreren. Aanvankelijk, in 1996, werd alleen aan 15 streeklaboratoria gevraagd om voorkomende gevallen te melden. Vorig jaar is de surveillance echter uitgebreid met alle ziekenhuislaboratoria. Bovendien bezoekt de GGD sinds een jaar elke patiënt (of diens ouders/verzorgers) met een lijst vragen over de klachten, het gebruik van medische voorzieningen en mogelijke oorzaken van de besmetting. Uit de 29 teruggestuurde lijsten blijkt dat de meeste ziektegevallen zich voordoen bij kinderen jonger dan vier jaar. Een enkeling had inderdaad rundvlees gegeten, maar de meeste mensen ziek zijn geworden van het eten van rauwkostsalades en fastfood-producten, het werken in de tuin of het zwemmen in besmet water. Op één na alle gevallen stonden op zichzelf (een tweeling vormde de uitzondering). Van lokaal optredende uitbraken van deze voedselvergiftiging was geen sprake.

    • Huup Dassen