Eigen levens

Onderdeel van het individualiseringsproces in de twintigste eeuw is de verschuiving van een `standaardlevensloop' naar een `keuzelevensloop'. In de sociologie is dit idee gemeengoed, maar is het ook wáár? Een bijzondere demografische studie werpt nieuw licht op de zaak.

HET LEVEN is voor jonge mensen behoorlijk ingewikkeld geworden. Ga ik meteen studeren, of eerst een jaartje er tussenuit? Samenwonen, trouwen, of juist niet? Carrière of kinderen, of allebei? Maar wanneer dan, en hoe, en met wie? Carrière even op een laag pitje, of juist volle kracht vooruit en kinderopvang en huishouden grotendeels uitbesteden? Jonge mensen hebben veel te kiezen, móeten ook veel kiezen. Hun levensloop ligt nauwelijks nog vast door afkomst of geslacht.

Sociologen spreken van een `keuzelevensloop', die in contrast staat tot de `standaardlevensloop' van vroeger: na school gaan werken, maar thuis blijven wonen; uit huis trouwen, korte tijd later kinderen krijgen; man werkt, vrouw zorgt voor kinderen en huishouden. Weinig te kiezen, iedereen hetzelfde. De ontwikkeling van standaardlevensloop naar keuzelevensloop vormt een vast onderdeel van sociologische beschrijvingen van de twintigste eeuw. Maar klopt het ook?

De bewijsvoering is vaak anekdotisch of gebaseerd op statistieken die hooguit als circumstantial evidence kunnen worden beschouwd. Dat komt mede doordat harde gegevens over de levensloop van veel mensen zeldzaam zijn (zie kader). Aart Liefbroer en Pearl Dykstra, verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), hebben ten behoeve van een achtergrondstudie, Levenslopen in verandering, voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een bestand samengesteld met levensloopgegevens van zo'n 26.000 mensen, geboren tussen 1903 en 1970. Aan de hand hiervan kan systematisch worden nagegaan of, en zo ja hoe, de levenslopen van opeenvolgende generaties zijn veranderd.

Bezien over de gehele levensloop constateren de onderzoekers dat zich voor de generaties van voor de oorlog een geleidelijke standaardisering heeft afgetekend. Voor de generaties van na 1940 nemen de verschillen weer toe. De `standaardlevensloop' (waarin uit huis gaan, trouwen en kinderen krijgen kort na elkaar plaatsvinden, en voor een groot deel van de bevolking op ongeveer dezelfde leeftijd en in dezelfde volgorde) heeft eigenlijk alleen bestaan voor de cohorten die in de jaren dertig zijn geboren.

Kortom, het verhaal van de standaardlevensloop en de keuzelevensloop rammelt. Die standaardlevensloop was eerder een historische uitzondering dan een langjarige constante waarvan pas recentelijk afscheid is genomen. Zou het toeval zijn dat degenen die schermen met dit begrippenpaar veelal afkomstig zijn uit de generatie van vlak na de oorlog, van vlak na die van de standaardlevensloop? Voor de sociologen en demografen die keuzelevensloop als een bevrijding zagen, niet alleen voor het volk in den brede, maar vooral ook voor henzelf? Wetenschapshistorisch liggen er nog schatten voor het opgraven. Dat doen de auteurs van Levenslopen in verandering niet, zij beperken zich tot de schatten die ze in hun data kunnen vinden.

Huisverlaters

Kinderen gaan nu veel langer naar school dan aan het begin van de eeuw. Van degenen die tussen 1900 en 1910 zijn geboren, had de helft op hun dertiende het voltijdonderwijs verlaten. Van de jongste cohorten in het onderzoek, geboren in de jaren zestig, had de helft dat pas op hun twintigste gedaan. Tegenwoordig verlaten veel jongeren het ouderlijk huis voordat ze hun opleiding hebben afgerond, aan het begin van de eeuw kwam dat nauwelijks voor.

De gemiddelde leeftijd waarop jongeren het ouderlijk huis verlieten is veel minder veranderd dan die waarop ze de schooldeur achter zich sloten. Het opvallendst is dat steeds minder jongeren heel lang (tot na hun dertigste) bij hun ouders blijven wonen. Dit kwam vooral bij de generaties van vóór 1930 voor. De gemiddelde leeftijd van huisverlaters is mede daardoor in de loop van de eeuw met circa drie jaar afgenomen. Ook de verschillen in leeftijd bij uit huis gaan bínnen een generatie zijn afgenomen.

Uit huis gaan impliceerde voor de vooroorlogse generaties doorgaans trouwen. De vooroorlogse generaties gingen dus niet alleen steeds jonger uit huis, ze trouwden ook steeds jonger. Bij degenen die in de jaren zestig zijn geboren komt uit huis trouwen nauwelijks nog voor en uit huis samenwonen steeds minder. Steeds meer mensen wonen een periode alleen, een ontwikkeling die nog steeds aan de gang is. De leeftijd waarop men gaat samenwonen of trouwen stijgt voor de jongste generaties zelfs weer. Ook de variatie in de leeftijd waarop ze gaan samenwonen of trouwen neemt weer iets toe.

Steeds meer standaardisatie bij de opeenvolgende vooroorlogse generaties, en weer meer variatie bij de generatie van na de oorlog: dat is een mooi model, dat goed past bij het algemenere beeld van standaardisatie en destandaardisatie van levenslopen. Met de generatie van de jaren dertig als kantelpunt, als generatie met de meest eenvormige levensloop. Maar ook dat model gaat te kort door de bocht, menen de onderzoekers.

Want, constateren ze, de toenemende variatie is niet willekeurig: met name bij de generaties van na 1950 groeien de verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden. Hoger opgeleiden beginnen niet alleen later met werken dan lager opgeleiden, ze gaan ook later samenwonen en trouwen, en beginnen later aan kinderen. Ook het arbeidspatroon van hoger opgeleide vrouwen begint meer af te wijken van dat van lager opgeleide vrouwen: ze werken vaker en langer, ook als er kinderen zijn.

Achter de ogenschijnlijk groeiende variatie in levenslopen gaat dus tot op zekere hoogte een tweedeling schuil: er ontstaan verschillende oriënteringspatronen voor jongeren, afhankelijk van hun opleidingsniveau. Overigens neemt ook voor laagopgeleiden de leeftijd waarop ze het eerste kind krijgen vanaf de oorlogsgeneraties toe, zij het langzamer dan voor hogeropgeleiden. Onduidelijk is dus nog in hoeverre die tweedeling tijdelijk is – hogeropgeleiden als voorlopers in een nieuw patroon – of een structureel karakter zal blijken te hebben.

Jongvolwassenheid

Zeer spectaculair is de verschuiving in de tijd die verstrijkt tussen samenwonen en een kind krijgen. Bij de generaties van voor de oorlog had de helft van de paren ruim binnen de twee jaar een kind en driekwart binnen drie jaar. Voor de generaties die in de jaren zestig zijn geboren duurde het meer dan zes jaar eer de helft een kind had en bijna twaalf jaar eer driekwart zo ver was. De opkomst van de pil heeft daar zeker een belangrijke rol in gespeeld, maar is natuurlijk niet de enige oorzaak: jongeren maken nu andere toekomstplannen dan een halve eeuw geleden.

De onderzoekers gebruiken de term `jongvolwassene'. Ze hebben een poging gedaan dat begrip wat preciezer af te bakenen dan in het algemeen spraakgebruik. Een jongvolwassene is iemand die begonnen is om formele eigen verantwoordelijkheid te nemen, hetzij in de publieke sfeer (opleiding afgerond, begonnen met eerste baan), hetzij in de private sfeer (ouderlijk huis verlaten). De periode van jongvolwassenheid begint wanneer de eerste van deze overgangen plaatsvindt en eindigt wanneer al deze overgangen zijn doorgemaakt. In een tweede, ruimere definitie laten ze de jongvolwassenheid eindigen bij de geboorte van het eerste kind.

Op deze manier hebben de auteurs gekeken naar wat er in de loop van de eeuw met deze periode van relatief weinig verplichtingen en relatief veel mogelijkheden is gebeurd. Voor de oudste generaties duurde die periode een jaar of dertien, voor de jongste gemiddeld vijf. De jongvolwassenheid duurt dus aanzienlijk korter dan vroeger, maar valt later. De compressie van deze periode noopt jongeren om in korte tijd veel voor hun toekomst belangrijke beslissingen te nemen.

Misschien vormt die samengebalde keuzedruk wel een belangrijke factor waarop het begrip keuzelevensloop zo aantrekkelijk is. Beroepskeuze, woonplaatskeuze en partnerkeuze vallen tegenwoordig in de tijd vrijwel samen, voor de oorlog zat daar vaak tien of vijftien jaar tussen. Vroeger moest er ook gekozen worden, maar daar was meer tijd voor, zodat het niet zo opviel. Keuzen die je langzaam maakt lijken immers vanzelfsprekender dan keuzen die je in korte tijd maakt, móet maken.

Die keuzedruk is zwaar en je ziet dan ook dat velen de volgende stap naar `volwassenheid', kinderen krijgen, uitstellen. Vrouwen, en dan vooral hoger opgeleide vrouwen, hebben het daarmee moeilijker dan mannen. De overgang naar volwassenheid is voor vrouwen dan ook veel ingrijpender veranderd dan voor mannen. Allerlei officiële regels en voorzieningen zijn nog niet ingericht op voorkeuren en ambities van de jongste generaties.

Alleen al omdat het leven gemiddeld steeds langer is geworden, is er voor bejaarden in de loop van de afgelopen eeuw veel veranderd. De gemiddelde levensverwachting voor mannen was aan het begin van de eeuw 56 jaar, voor de generatie die in de jaren zestig werd geboren is dat ruim twintig jaar meer. Er is voor grote aantallen mensen een nieuwe levensfase ontstaan, maar menigeen weet nog niet wat hij of zij daarmee aan moet – terwijl er tegenwoordig wel geld genoeg is.

verrast

De onderzoekers constateren dat veel hedendaagse ouderen eigenlijk verrast zijn: ze hadden nooit gedacht zo oud te worden. Er is bovendien een gebrek aan rolmodellen. De samenleving is er nog helemaal niet op ingespeeld dat miljoenen gezonde mensen hun werkend en opvoedend leven hebben afgesloten. Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving en in statuten van organisaties verbieden het ouderen vaak om allerlei activiteiten te ondernemen waarin hun kennis en ervaring zeer van pas zou komen.

Een van de conclusies van het onderzoek is dan ook dat Officieel Nederland vele jaren achterloopt op wat gewone mensen willen en doen. Dat blijkt het geval bij jongeren met hun samengebalde keuzedruk en de problemen om carrière en gezin met elkaar te combineren, en bij ouderen die zoeken naar een zinvolle invulling van een nieuwe levensfase.

Veranderingen in de levenslopen van de opeenvolgende generaties hebben zich in het algemeen geleidelijk voltrokken, met uitzondering van één keerpunt. De auteurs spreken zelfs van een waterscheiding. Dat is niet de oorlog, ook niet de jaren zestig, maar het begin van de jaren zeventig. Dan vallen snelle veranderingen op diverse terreinen van het leven met elkaar samen.

In de eerste plaats maakten de geboortecohorten waarbij de standaardisatietrend omkeerde (1941-1950) toen de cruciale fase van uit huis gaan en kinderen krijgen door. In die zin vormt het begin van de jaren zeventig een trendbreuk. Die trendbreuk is ook zichtbaar in het aantal geboorten, dat in zes jaar tijd met ruim 60.000 daalde. De pilknik viel in Nederland in de periode 1969-1974. Het zou natuurlijk kunnen dat de veranderingen van begin jaren zeventig vooral samenhangen met deze generatie, en andere generaties ongemoeid lieten. Dat blijkt niet het geval.

In de tweede plaats verandert er namelijk ook van alles voor de oudere generaties. Zo gaan vrouwen die in de jaren dertig zijn geboren rond 1970 aanzienlijk meer buitenshuis werken: de herintreedster als nieuw fenomeen op de arbeidsmarkt. De kans op echtscheiding neemt ook voor de oudere generaties toe. Natuurlijk heeft dat alles te maken met veranderingen in de wettelijke regels rond echtscheiding en met de introductie van de Algemene Bijstandswet, waardoor gescheiden vrouwen van een inkomen verzekerd waren. Demografisch gedrag wordt nu eenmaal sterk beïnvloed door regelgeving.

Liefbroer en Dykstra blijven vrij dicht bij hun data (het boek is ruim voorzien van tabellen en, helaas inconsequent vormgegeven, grafieken) maar ze wagen zich gelukkig wel aan bespiegelingen over de werkelijkheid achter die data. Maar daarin gaan ze niet erg ver. Dat heeft te maken met de aard van de data en de vragen die de onderzoekers eraan stellen. Demografische data zijn mooi voor onderzoekers, omdat ze ermee kunnen rekenen. Ze kunnen gemiddelden, medianen en standaarddeviaties bepalen, en er allerlei geavanceerde statistische technieken op loslaten. So far so good.

Maar intussen verandert de betekenis van die data. Trouwen betekent nu iets anders dan in 1930, en samenwonen anno nu is ook niet hetzelfde als trouwen in 1930. Juist wanneer zo'n lange periode wordt bestudeerd als in dit geval, roept dat vragen op.

Een voorbeeld. De onderzoekers definiëren het aangaan van een relatie als trouwen of samenwonen. Ieder gewoon mens, iedere niet-demograaf, weet dat dat onzin is. Trouwen of samenwonen komt pas aan de orde als de relatie al lang een feit is. Dat is nu zo, maar dat was voor de generaties van 1900 ook zo. Niet zelden duurde een verloving vijf jaar of langer. Trouwen had toen ook te maken met bestaanszekerheid en de beschikbaarheid van huisvesting, zoals nu met het krijgen van kinderen. Enkele van de gebruikte bestanden bevatten wel gegevens over verkeringen en de betekenis die mensen daaraan hechten, maar niet alle, en niet alle op dezelfde manier. Dat maakt de gegevens onbruikbaar voor langetermijnvergelijkingen, maar om dan deze fase van relatievorming maar helemaal uit de beschouwingen weg te laten is wel erg boekhoudkundig geredeneerd.

uit huis gaan

Te weinig afstand nemen tot de data gebeurt ook bij de beschrijving van het uit huis gaan. Er zijn in de statistieken twee mogelijkheden: alleen wonen en samenwonen met een partner. Op kamers wonen of op een studentenflat wonen is geteld als alleen wonen. Als het niet in de data zit, kun je er niet aan rekenen, maar door er ook aandacht aan te besteden aan zulke woonvormen, ontnemen de onderzoekers zich het zicht op mogelijke verklaringen.

Immers, juist voor de trendsetters in nieuwe leefpatronen, de hogeropgeleiden, zijn zulke woonvormen van grote betekenis: de studentenhuisvesting, opgekomen in de periode waarin de onderzoekers de grootste veranderingen signaleren – het begin van de jaren zeventig. Deze groepsgewijze huisvesting met gelijken, zonder toezicht van ouderen als hospita's, verschafte een ruimte voor experimenten met huishouden en relaties die tot dan toe niet op die schaal bestond.

Kortom, de studie werpt tal van nieuwe vragen op. Het is de verdienste van Liefbroer en Dykstra dat ze een populair onderdeel in beschrijvingen van het individualiseringsproces – de verschuiving van standaardlevensloop naar keuzelevensloop – hebben ontmaskerd. Het begrippenpaar voldoet niet, omdat de standaardlevensloop maar heel kort als zodanig heeft bestaan. De onderzoekers reiken echter geen alternatief aan. Onduidelijk blijft in hoeverre de gevarieerde levenslopen van de generaties uit de eerste drie decennia van de twintigste eeuw een kwestie van keuze waren. Het is makkelijk gezegd dat dat niet zo was, net zo makkelijk als te zeggen dat dat nu wel zo is. Maar de harde correlatie tussen de invulling van de levensloop en het opleidingsniveau roept de vraag op hoe vrij die keuzen eigenlijk zijn.

Aart C. Liefbroer & Pearl A. Dijkstra: Levenslopen in verandering. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2000. ISBN 90 399 1704 3.

    • Dick van Eijk