De jacht op de grienden

Bij de Faer⊘er denk ik altijd aan `verre eilanden'. Dat zijn ze vroeger ook altijd geweest, eilanden aan de rand van de kaart, verloren in de stormachtige wateren van de noordelijke Atlantische Oceaan, ergens tussen Schotland en IJsland. De juiste vertaling is echter `Schapeneilanden'.

Onlangs was ik er voor de derde keer. Bij de landing op het eiland Vágar zakt het vliegtuig tussen de fjordwanden in een luchtzak. Meisjes uit een Deense schoolklas zetten het op een gillen. De jongens nemen het met veel plezier over. Maar wanneer ik opzij kijk, zie ik drie huilende meisjes op een rij zitten.

Buiten is het koel en winderig. De busrit naar de hoofdstad Thorshavn levert een vertrouwd beeld op. Kleurige huizen, kale groene bergen, fjorden, schapen, ganzenkotten, perceeltjes aardappelen en rabarber op de hellingen.

De directeur van Hotel Hafnia geeft ons bij de deur een hand. Een vriendelijke man met een boers uiterlijk, blauwe ogen onder hangende oogleden in een rood gezicht. Later klinkt hij ons toe – `proost' is `skwal' in de landstaal – in een zaaltje op de bovenste etage.

Het gaat weer een stuk beter met de visserij, vertelt hij. De crisis is over haar dieptepunt heen. Ook de jacht op grienden (een kleine walvis, of beter: een forse dolfijn) gaat onverminderd door. Hij zal mij waarschuwen als ergens een slachtpartij aan de gang is. Dat zal hij natuurlijk niet doen – de meeste Faer⊘erders willen geen verhalen meer met bloederige foto's in buitenlandse kranten. Dat is slecht voor het toerisme.

Maar het is toch vooral door deze jacht dat de Faer⊘er de voorpagina's halen. Natuurbeschermers en de Internationale Walvisvaart Commissie trekken regelmatig aan de bel. Nog deze zomer brachten twee Nederlandse cabaretiers (!) een nacht in een cel op het politiebureau van Thorshavn door. Uit protest tegen de griendenjacht waren zij met een rubberbootje van het actieschip `Ocean Warrior' naar de wal gevaren.

Over de griendenjacht valt veel te vertellen. Het is beslist een bloederig spektakel, dat ik geen tweede keer hoef te zien. Maar de Faer⊘er hebben meer te bieden dan jachttaferelen. Breng eens een bezoek aan het Nationaal Kunstmuseum. Dat hangt vol met doeken van plaatselijke kunstenaars die hun land in beeld hebben gebracht. Veel autodidacten, veel landschappen.

Ik zag een zeldzaam mooi schilderij, beetje abstract, van een vogelrots vol alken en koeten, van de hand van Tummas Arga. ,,De man dronk zich dood'', hoor ik van Bàrdur Jacobsen, de directeur van het museum. Dat doek en dat feit, meer weet ik niet van Arga.

Een speciale zaal is ingericht voor Sàmal Joensen Mikines, wiens roem tot voorbij de grenzen van zijn eigen land is doorgedrongen. Hij stamde van het meest westelijke eiland, Mykines, waar ik eens, vanwege storm en woeste zeegang, een volle week heb vastgezeten. Daar vangt men papegaaiduikers en daar knuppelt men de bijna vliegvlugge jongen van jan-van-gents dood. Wie met de rug naar het land leeft, moet eten van wat de zee hem te bieden heeft, nietwaar.

Mikines' eerste schilderijen zijn donker en somber en tonen vaak begrafenissen en rouwende vrouwen. Heel indrukwekkend zijn de prachtige, soms half-abstracte doeken, met veel rood en zwart, die hij over de griendenjacht heeft gemaakt.

Zo komen we toch weer bij die vermaledijde jacht terecht. ,,Hij had er zeer gemengde gevoelens over'', zegt Jacobsen.

Dat gevoel weet hij heel goed op de kijker over te dragen.

    • Gerrit Jan Zwier