De eethemel

In het programma Gardeners' World, vroeger, met Geoff Hamilton, had je de regelmatige verschijning van iemand genaamd Bob Flowerdew – kan dat zijn echte naam zijn geweest? – die een grote, wat rommelige tuin had, ergens in Essex. Hij had ook een accent uit die streek, met net zulke dode klinkers als Tony Blair; hij droeg zijn haar in een lange paardenstaart en was totaal biodynamisch. Hij is nog altijd te horen in Gardeners' Question Time, op de radio, en iedere keer dat ik op mijn volkstuin een slak over de sloot in onze biologische paddepoel gooi, verschijnt hij even voor mijn geestesoog, hoor ik een flard van zijn stem.

Ik ben er zeker van dat hij nooit een slak ergens heen gegooid heeft, hoewel ik niet meer weet wat hij er dan wel mee deed. Wel herinner ik me zijn anti-onkruidgrondbedekkers van oude tapijten, hoe hij aardappelen kweekte in autobanden, banden toevoegend naarmate de planten hoger werden, en hoe hij in de compost plaste, door hem zedig omschreven als `bier recycleren'. Het tapijt heb ik ook eens geprobeerd, en ik denk dat dat slakkengooien mij herinnerde aan iets anders dat hij propageerde. Het is een gemakkelijke oplossing, met dat ecologische reservaatje net naast mijn tuin, hoewel de bevolking aan ongewenst gedierte fenomenaal moet zijn: ik vermoed dat mijn slakken niet de enige zijn die daar een ongestoorde oude dag slijten.

Geïsoleerd tuinieren bestaat niet op de volkstuin. Je moet goed om je heen kijken voor je je slak gooit. Maar ook kun je de tuinen van anderen goed observeren, en je een voorstelling maken van hun maaltijden. Net als Bob Flowerdew zijn de meeste tuiniers op mijn volkstuincomplex meer geïnteresseerd in vruchten en groente dan in bloemen: het is een paradijsje voor eters, de eethemel.

Met groentekweken ben ik op het verkeerde been begonnen toen mijn moeder wat broccoli plantte, lang geleden. Broccoli was toen nog zeldzaam en ze was er heel trots op, maar wij kinderen waren achterdochtig en inspecteerden alles nauwkeurig. Gelukkig maar, want terwijl wij vermaand werden niet zo kieskeurig te zijn, ontdekten we dat alles vol zat met gekookte groene rupsjes, door hun camouflage bijna niet van hun eetbare omgeving te onderscheiden. Ik telde er – kinderen zijn meedogenloos – twaalf op mijn bord. Daarna werd geen broccoli meer verbouwd. Mijn ouders kweekten ook frambozen en ieder jaar kwam de gevreesde zondag dat mijn moeder jam maakte. Mijn vader kwam de keuken in met de ene kom vol vruchten na de andere; mijn moeder stond te roeren in een enorme pan, vervloekingen mompelend als de heksen uit Macbeth. Ze at geen jam. Ik herinner me nog precies hoe de potten er uitzagen en waar ze bewaard werden – maar niet de smaak; misschien was mijn vader de enige die jam at.

Nu maak ik zelf jam, en andere mensen eten het. Lang vervlogen gevoelens wellen in je op en doen oude tradities herleven – ik kijk naar de volle potten als Davy in The Pursuit of Love van Nancy Mitford: soms ging hij zich verlustigen bij de volle provisiekast. Ook ik heb een provisiekast vol wachtende lege potten.

Vreemd, je eigen ouders te zijn geworden, vreemder nog: ze allebei te zijn geworden, want niemand behalve ikzelf komt hoopvol met manden vol fruit de keuken in. Ik heb ook andere ouderwetse manieren van conserveren geprobeerd: drogen, inleggen, in 't zuur, in 't zout, maar één keer was genoeg. Een methode die ik nog niet geprobeerd heb, met de pruimtomaten, is treden met de voeten, zeven en steriliseren, waarover ik in verscheidene boeken heb gelezen, ik kan alleen maar hopen dat iemand het me zal beletten. Het is de gedachte dat je als je tomaten kunt kweken ook alles kan, die zo verraderlijk is.

En toch is het een van de dingen waar ik het meest trots op ben: tomaten kweken uit zaad. Moeilijk is het niet, en zonder twijfel een wonder. Je begint met een piepklein zaadje en eindigt met een plant groter dan je zelf bent, beladen met kostelijk fruit, smakelijker dan wat ook dat in een winkel te koop is – warm gegeten het lekkerst, zo van de plant. Ik dacht altijd dat mensen die dat konden ermee geboren waren, nooit anders hadden gedaan, opgegroeid in moestuinen; nooit heb ik vermoed dat ik mij zoveel moeite zou getroosten om gewoon een goede tomaat, zoals in Italië, te verkrijgen.

Het is niet gemakkelijk precies te zeggen waarom de volkstuin – de moestuin – zo'n lusthof is, waarom het zo'n genieting is er te zijn, hoe je er aan verslaafd raakt en humeurig wordt wanneer het op zaterdagmiddag regent. Ik bezit een boek over Franse volkstuinen, getiteld Côté jardins, door Françoise Dubost. Volkstuin is jardin-ouvrier in het Frans. Er staan deprimerende dingen in, bijvoorbeeld dat tuinieren is `le passe-temps favori de l'âge mûr' – en ook amusante, zoals dat het tijd wordt om te `ranger la pharmacie du jardin' (de Fransen zijn bijna net zo uitbundig met kunstmest en verdelgingsmiddelen als de voedselindustrie). Maar het is een fascinerend boek, en er staat één beschrijving in die heel dicht lijkt te komen bij het geheime wonder van de volkstuin, waarom die, voor mij in elk geval, de belangrijkste is geworden van alle tuinen die ik heb gekend. Want dat is het; als je zonder achterlijk te klinken kunt spreken over een tuin liefhebben, dan is het mijn volkstuin die ik liefheb – de moestuin waar de dingen hoog en gezond opgroeien, beginnend met donkere lege aarde in het voorjaar en nu doorbuigend onder de overvloed.

Dat boek gaat over een Italiaanse familie met een volkstuin, mooi aangelegd met bloemen en allerlei groentes, al de gangbare soorten plus twee die niemand anders heeft, bijzondere soorten selderij en broccoli. Die werden als kleine plantjes meegebracht uit de streek waar die mensen vandaan kwamen, Les Pouilles in het Frans – ik moest het opzoeken, het is Puglia in het Italiaans – de schrijver noemt het `un petit morceau de Pouilles', een klein stukje Puglia, dat ieder jaar weer opkomt, met `la saveur et l'odeur de ce qu'on mange là-bas. O, de zoete geur van eten uit het verleden, het `eten van daarginds', als je zelf ver weg bent, niet in je eigen land; die heerlijke broccoli, die speciale soorten, helemaal uit Les Pouilles.

Dit is de zesde en laatste aflevering van `Herinnerde tuinen'.