`Voor de beste ideeën moet je bij de romancier zijn'

De Engelse satiricus Malcolm Bradbury (1932) schreef een fictieboek over de Franse filosoof Denis Diderot. Een gewone historische roman werd het niet: `To the Hermitage' speelt zich voor de helft af in de moderne tijd en becommentarieert op een hilarische manier de pretenties van de academische wereld.

Zijn magnum opus wil hij het niet noemen; per slot van rekening is hij nog geen zeventig en wil hij ``de drie romans in voorbereiding'' niet bij voorbaat te kort doen. Maar Malcolm Bradbury is duidelijk trots op To the Hermitage, zijn 500 bladzijden tellende roman over de Franse filosoof Denis Diderot en diens geestelijke nalatenschap. ``In dit boek komt veel bij elkaar dat me de afgelopen jaren heeft gefascineerd: het absurdistische verblijf van mijn favoriete Verlichtingsdenker aan het hof van de Russische despoot Catharina de Grote; de verhouding tussen geschiedenis en historische verzinsels; de manier waarop schrijvers elkaar door de eeuwen heen beïnvloeden; en niet te vergeten de vrolijke bende die academici aanrichten wanneer ze congressen bezoeken.''

To the Hermitage, dat een verslag van Diderots Russische avontuur uit 1773 (`Then') afwisselt met een in 1993 spelend reisverhaal (`Now'), is inderdaad een typische Bradbury-roman. Wie de vorig jaar geridderde Engelse schrijver bewondert om hilarische universitaire satires als The History Man (1975) of Rates of Exchange (1983), zal veel plezier beleven aan de hoofdstukken waarin een dozijn moderne Diderot-kenners gevolgd wordt op een zoektocht naar de in Petersburg verdwenen bibliotheek van de grand philosophe. Wie hem waardeert als serieuze (literatuur)historicus met een tiental non-fictieboeken op zijn naam, zal getroffen worden door de flair waarmee Sir Malcolm het geestelijk klimaat en het hofleven in het achttiende-eeuwse Rusland oproept. En wie hem kent als literair theoreticus zal kunnen lachen om de manier waarop hij de draak steekt met postmodernisme, deconstructie en eens populaire concepten als `de dood van de schrijver'.

``Het bloed kruipt waar het niet gaan kan'', zegt Bradbury op de vraag of de campus novel en het reisverhaal zijn favoriete genres zijn. ``To the Hermitage begon als een tamelijk conventionele historische roman over drie grootheden uit het eind van de achttiende eeuw: Diderot, Thomas Jefferson en Chateaubriand. Ik wilde laten zien hoe Diderots politieke filosofie Jefferson beïnvloedde en zo de fundamenten legde voor de Verenigde Staten, en hoe het staatsdenken van Chateaubriand volgde uit zijn reis naar Amerika in 1791. Maar alleen al Diderots relatie met Catharina, die zijn bibliotheek aankocht, hem tot bibliothecaris benoemde en hem een winter aan haar hof duldde, bood stof genoeg voor een hele roman. En toen ik besloten had om me op Diderot te concentreren, ben ik als vanzelf een ander boek gaan schrijven.

``Diderot was een man met veel gezichten: een denker maar ook een dromer, een waarheidszoeker maar ook een fantast, en vóór alles een moderne, door Laurence Sterne beïnvloede literator. To the Hermitage moest die veelzijdigheid weerspiegelen, en daarom heb ik de moderne Canterbury Tales-achtige hoofdstukken – een fictionalisering van mijn eigen bemoeienissen met het reëel bestaande Zweedse Diderot Project – ertussen geplaatst. Zo kon het een roman worden die commentaar levert op zichzelf, en waarin de schrijver de werkwijze van de schrijver ter discussie stelt.

``Het verhaal over Chateaubriand heb ik bewaard voor mijn volgende roman, Liar's Landscape; Jefferson komt alleen nog even opdagen aan het eind van To the Hermitage, wanneer hij van een gedesillusioneerde Diderot de cahiers krijgt waarin de filosoof zijn aanbevelingen aan Catharina heeft genoteerd. Ik vond het mooi ironisch dat Diderot Rusland probeerde te veranderen, maar dat het uiteindelijk Amerika was dat de vruchten van zijn ideeën plukte. Bijna net zo mooi ironisch als de wetenschap dat Thomas Jefferson, de verlichte geest die Diderots ideeën naar Amerika bracht, een van de grootste slavenhouders van zijn tijd was.''

Ik spreek Bradbury op een regenachtige julimiddag tijdens het jaarlijkse Cambridge Seminar on Contemporary British literature. 's Ochtends heeft hij – kortademig, want hij is herstellende van zware hartproblemen – een hilarische passage uit het moderne deel van To the Hermitage voorgelezen, en met een internationaal gezelschap van schrijvers en academici van gedachten gewisseld over waarheid, fictie en de vrijheid van de historische romancier. ``De historicus moet weten wat schrijvers doen, net zo goed als de schrijver moet weten wat historici doen'', luidde een van van zijn stellingen, en gezeten in een fauteuil in de aula van het laat-achttiende-eeuwse Downing College borduurt hij daar op voort.

``Zoals ik in het voorwoord tot To the Hermitage schrijf: `history is the lies the present tells in order to make sense of the past.' Veel van de informatie die we over het verleden hebben is net zo min `waar' als de verhalen die je tegenkomt in historische romans. Neem de verhouding tussen Catharina en Diderot: het is een feit dat onze filosoof naar Petersburg reisde, waar hij in het Winterpaleis gesprekken had met de tsarina. Maar wat we verder weten van `Cathy & Didro' is voornamelijk gebaseerd op negentiende-eeuwse biografieën die de twee tot de verbeelding sprekende beroemdheden ook al als een soort romanfiguren zagen. Het mag klinken als een cliché, maar iedere tijd heeft zijn eigen Diderot. Voor mijn roman heb ik bijvoorbeeld veel gebruik gemaakt van een recente biografie van P.N. Furbank, die Diderot portretteert als de voorloper van Wittgenstein en als een van de pioniers van de kunstmatige intelligentie. Ik zag er dus geen been in om de conversaties tussen de filosoof en de tsarina naar eigen idee en in de vorm van toneeldialogen te reconstrueren.''

De dunne scheidslijn tussen verzonnen en waargebeurde verhalen, tussen stories en histories, komt ook aan bod in een van de hoogtepunten van To the Hermitage: een `geïmproviseerde' lezing die de ik-figuur houdt aan boord van de veerboot (een `narrenschip' volgens Bradbury) die de deelnemers aan het Diderot Project van Stockholm naar Petersburg vaart. Onderwerp is wat de spreker met veel gevoel voor literatuurtheoretische parodie aanduidt als `postmortemisme', dat wat er gebeurt met beroemde schrijvers als ze dood zijn. Figuurlijk, namelijk hoe hun ideeën overgenomen, geciteerd en worden verwerkt door nieuwe generaties schrijvers; maar ook letterlijk, hoe er door het nageslacht met hun lichamen wordt gesold.

Bradbury's voorbeeld is het lijk van Laurence Sterne (de schrijver van de proto-modernistische roman Tristram Shandy), dat door grafrovers werd gestolen, opdook tijdens een anatomieles in Cambridge, stiekem werd herbegraven, en twee eeuwen later (in 1968) onder veel gekrakeel officieel opnieuw zou worden begraven. De ik-figuur vertelt het verhaal van de wandelende botten van Sterne met verve, zoals hij eerder al uitgebreid heeft gereconstrueerd hoe het de stoffelijke resten van de in Stockholm overleden Descartes is vergaan, maar zijn pionierswerk in `burlesque necrology' wordt hem door de wetenschappers onder zijn gehoor niet in dank afgenomen. `Dit zijn allemaal maar verhaaltjes', zeggen ze, waarop de ik-figuur suggereert dat verhaaltjes vaak veelzeggender zijn dan de zogenaamde waarheid. Als ik Bradbury vraag of hij met dit soort aanvallen op academische pretenties niet een bom onder zijn eigen wetenschappelijke werk uit het verleden legt, glimlacht hij beminnelijk.

``Ik had dit boek nooit kunnen schrijven als ik nog professor aan de Universiteit van East Anglia was geweest. Tien, twintig jaar geleden maakte ik ook wel grappen over academici, maar ik had te veel respect voor de literatuurtheorie om bommen te gaan leggen. De kennis die ik opdeed, gaf ik bij voorkeur door in non-fictieboeken. Nu ik ouder ben, en naar ik hoop ook wijzer, heb ik het gevoel dat ideeën en theorieën zich het beste laten verbreiden in een roman. Laten we zeggen dat ik toch meer een schrijver dan een wetenschapper ben. Diep in mijn hart ben ik het eens met de twintigste-eeuwse hoofdpersoon uit To the Hermitage. In het begin van de roman zegt hij dat hij de voorkeur geeft aan fictie boven geschiedenis en aan dromen boven de echte wereld. Daar voegt hij nog aan toe dat fictie te prefereren is boven het dagelijks leven, `which is a pretty feeble fiction anyway'. Zo ver zou ik niet willen gaan, maar wie weet hoe wijs ik in de toekomst nog word.''

Malcolm Bradbury: To the Hermitage. Picador, 498 blz. ƒ49,95 (geb.)

[streamliners]

`Het is ironisch dat Diderot Rusland probeerde te veranderen, maar dat Amerika de vruchten van zijn ideeën plukte'

`In mijn jaren aan de universiteit had ik te veel respect voor de literatuurtheorie om bommen te gaan leggen'

Buitenlandse literatuur

    • Pieter Steinz