Therapie op de Texaanse prairie

Larry McMurtry werd geen cowboy, maar een `book rancher'. Hij bracht er honderdduizenden naar Archer County, Texas. Aan zijn oeuvre van twintig boeken, waarvan hij er zelf slechts een paar echt goed vindt, voegde hij onlangs drie werken toe.

Toen een van de hoofdstukken van Larry McMurtry's Walter Benjamin at the Dairy Queen werd voorgepubliceerd in The New York Review of Books, ging dat hoofdstuk vergezeld van een foto die helaas in de boekeditie verloren is gegaan. We zien de schrijver, een wat mollige, bebrilde jongen die even onhandig naar de camera grijnst als hij zijn `prijskalf' probeert in toom te houden. Het is 1948, Larry moet dus twaalf jaar oud zijn, en hoewel hij een cowboyhoed en -laarzen draagt, leert één blik op de foto voldoende: deze jongen zal nooit een cowboy worden.

Hij groeide op op een afgelegen boerderij in Archer County, een geïsoleerd deel van Noordwest-Texas. Zijn grootouders waren settlers die moeizaam probeerden te overleven op een `plaats zonder verleden'; zijn vader was een niet al te succesvolle veeboer, op de verkeerde grond en in de verkeerde tijd. Larry zou inderdaad niet in zijn voetsporen treden. Om het maar ronduit te zeggen: hij haatte het werk op de ranch. Hij was een jonge cowboy die `zijn paard haatte en bang was voor bijna elk ander beest in de buurt.' Als hij erop uit gestuurd werd om een bepaalde koe op te halen kwam hij doorgaans met de verkeerde terug. Maar zijn vader was een zachtmoedig man, die mild oordeelde over zijn zoons ongeschiktheid. Larry ging naar school en daarna naar Rice University in Houston en ontdekte gaandeweg dat `the kink in my attachment to Archer County and West Texas in general, was that the place was bookless.' In zijn latere leven zou McMurtry dit gebrek letterlijk zelf oplossen door honderdduizenden boeken naar Archer City te laten brengen en er enkele antiquariaten te openen, waaraan hij nu het grootste deel van zijn tijd besteedt. Hij was ongeschikt om koeien te hoeden, maar werd in plaats daarvan `book rancher, herding books into larger and larger ranches'.

Maar voor het zover was was Larry McMurtry in de eerste plaats schrijver, een heel succesvolle maar ook een die een curieuze plaats binnen de Amerikaanse letteren inneemt. Ondanks de nadruk op Texaanse en Wild West thematiek in zijn omvangrijke oeuvre is hij een in het hele land populaire auteur – vooral vanwege de film- en tv-versies van boeken als Terms of Endearment en vooral de Lonesome Dove serie. Hij kreeg de Pulitzer prijs voor dat laatste boek, maar toch is hij nooit echt toegelaten tot de canon van de Amerikaanse literatuur. Critici die hem zijn langdradigheid en rommeligheid verwijten, hebben dikwijls gelijk, en ik moet bekennen dat ik geen enkel van zijn wat vlakke en naar sentiment neigende boeken uit de jaren negentig (als Pretty Boy Floyd en Comanche Moon) uit heb kunnen lezen.

WB at the DQ

Heel anders is dat met twee boeken die hij enkele maanden geleden ongeveer gelijktijdig uitbracht en die bovendien intrigerende punten van overeenkomst vertonen: Duane's Depressed, het zeer verrassende derde deel van wat de Thalia-saga is gaan heten, en vooral een vrij dun boekje met `bespiegelingen op mijn zestigste en erna' dat de wat hilarische titel Walter Benjamin at the Dairy Queen meekreeg.

In dat laatste boek mijmert McMurtry wat na over die literaire status van hem, en concludeert dat maar `twee of drie van mijn ruim twintig boeken goed zijn' net zoals zijn vader misschien twee of drie van zijn paarden werkelijk waardeerde. `Ik had graag gezien dat mijn fictie wat meer evenwicht, waardigheid en tact had gehad', maar dat zijn weer kwaliteiten die hij terugvindt in het werk van zíjn zoon, de singer-songwriter James McMurtry. Doorgaans maken schrijvers dit soort opmerkingen vooral om tegengesproken te worden, maar er is weinig pose waarop hij in dit boek valt te betrappen.

WB at the DQ is een vrij associërend werkje waarin McMurtry knorrig-eigenzinnig autobiografische herinneringen verweeft met fenomenen als de `suburbanisering' van de cowboy, de aantrekkingskracht van boeken op de jonge en de oude Larry, en vooral het verdwijnen van de lokale folklore en geschiedenis. Tot dat laatste inzicht kwam hij zittend in de Dairy Queen van Archer City, waar hij na een oponthoud van enkele jaren in Washington DC weer woont. Dairy Queens zijn wat suffe, alcoholloze fastfood restaurants die je over heel Amerika aantreft en die in McMurtry's optiek meer een dorpsplein- dan een restaurantfunctie hebben. Zittend in die Dairy Queen leest hij Walter Benjamins essay over `de verhalenverteller' en bedenkt dat vóór die DQ's ontstonden in dat deel van de wereld `de mensen van een kleine stad geen plek hadden om te praten en elkaar te ontmoeten, en dus ontmoetten ze elkaar niet en praatten ze niet met elkaar, hetgeen weer betekende dat veel lokale folklore of incidenten particuliere herinneringen werden en verdwenen. De DQ's deden, door een comfortabele ambiance te bieden (...) het potentieel herleven voor het vertellen van het soort verhalen waar Walter Benjamin van hield.'

Of dat waar is of niet (McMurtry onderbouwt althans in dit boek die these niet met voorbeelden), de Dairy Queen van Thalia, zoals de schrijver zijn woonplaats in zijn fictie is gaan noemen, is een agora waar het niet zozeer gonst van verhalen als wel van geruchten en roddels. Wat Walter Benjamin van het kaliber van de conversatie zou vinden, kunnen we ons maar beter niet afvragen.

Trilogie

De openingsalinea van Duane's depressed, Larry McMurtry's nieuwste roman en tevens het afsluitende deel van zijn Thalia-trilogie, klinkt omineus. `Op zijn tweeënzestigste parkeerde Duane Moore – een man die al zo lang hij een rijbewijs had in pickup-trucks had gereden – op een dag zijn truck in zijn eigen garage en begon te lopen, waar hij ook heen ging.' Zo'n besluit mag in West-Europa voor redelijk normaal doorgaan, in Texas staat het gelijk aan een sollicitatie voor het gekkenhuis. Door alleen maar zijn plotselinge weerzin tegen gemotoriseerdverkeer in de praktijk te brengen, wordt hij een onmiddellijke bedreiging voor zijn omgeving. Zijn echtgenote Karla kan niet anders dan geloven dat er een andere vrouw in het spel is. En zijn rare gedrag is hét onderwerp van gesprek in de Dairy Queen van Thalia. Als hij vervolgens zijn intrek neemt in een hut, die hij zes mijl verderop op een stuk eigen land heeft gebouwd, komen zijn kinderen beurtelings informeren of hij zich wel goed voelt.

Duane's depressed is het derde deel van een trilogie die nooit als een trilogie is begonnen, en het ook nooit helemaal is geworden. Uit het oogpunt van (bijvoorbeeld) stijlvastheid is er van alles mis met de drie-eenheid. The last picture show, het eerste deel (veel niet-lezers zullen het in elk geval kennen door de stijlvolle verfilming in zwart-wit van Peter Bogdanovich) was een doorvoelde coming of age roman met nostalgische boventonen. Texasville, het middelste en verreweg zwakste deel van de drie, is een uit de hand gelopen slapstick-excercitie, waarin de hoofdfiguren plat blijven als de pannekoeken in de Dairy Queen. Waar in het eerste deel Sonny nog de hoofdfiguur is en Duane zijn beste vriend (die aan het eind uit het zicht verdwijnt omdat hij in dienst moet) is in de volgende delen Duane de hoofdpersoon – naar ik aanneem omdat McMurtry hem invulbaar genoeg vond om alle kanten mee uit te kunnen.

Eenling

Daarmee raken we ook aan de kern van wat er mis is met de trilogie: van de vier karakters uit deel één kan McMurtry blijkbaar alleen Duane gebruiken. Sonny, de werkelijke hoofdpersoon uit dat eerste deel, ontwikkelt zich tot een broeierige eenling die geleidelijk uit het verhaal geschreven wordt en sterft. Ruth, de oudere vrouw die in dat eerste deel met een soort wanhopige dwangmatigheid een verhouding met hem forceert, zien we in de latere delen terug als een eendimensionaal mal oud wijf met een voorkeur voor joggen en orde. Stacy tenslotte, het stuk van het dorp op wie zowel Duane als Sonny verliefd worden, heeft nog wel een rol als aanjaagster in deel twee, maar is ook al overleden voordat Duane dat besluit neemt nooit meer in een pick-up te gaan zitten.

Duane is, op zijn tweeënzestigste, een man die kan terugkijken op een leven met plotselinge welvaart – tijdens de olie-boom – en op een even plotselinge tuimeling ten tijde van de oliecrisis in de jaren tachtig (die hem overigens zijn verspillende levensstijl niet deed veranderen.) Van opvoeden heeft hij even weinig kaas gegeten als zijn vrouw Karla, en aangezien ze dat gebrek spontaan meegaven aan hun eigen kinderen, worden ze omringd door een massa onaangepast en onuitstaanbaar nageslacht dat Duane soms tot wrange overpeinzingen dwingt. Hij beseft dat de combinatie van rijkdom en onwetendheid (een wijdverbreid fenomeen in Amerika) op zijn oude dag aan hem begint te knagen. Hij realiseert zich dat hij nog nooit in Egypte is geweest – of waar dan ook buiten Noord-Texas. En daarmee is zijn besluit terug te keren tot een simpel bestaan als wandelaar onherroepelijk.

McMurtry vertelt het wonderbaarlijk mooi en in wandeltempo: Duane's bestaan in zijn Spartaanse hut, zijn monomane tochten als hij nieuw gereedschap nodig heeft, zijn moeizame gezwoeg om de rommel langs de weg waarlangs hij loopt op te ruimen. Maar vooral goed verbeeld is de dreiging die van dit gedrag op de buitenwereld uitgaat. (Ik moest steeds weer denken aan een oud toneelstuk van Harold Pinter, waarin de simpele aanwezigheid van een zwijgende snoepjesverkoper bij zijn oprijlaan de heer des huizes tot totale razernij brengt.)

De ontwikkeling naar onthechtheid bij Duane gaat door, hij ondergaat dit proces bijna willoos: `de verandering had zich net zo natuurlijk voorgedaan als een verandering in het weer... Zijn oude vel, of zijn oude zelf, pasten hem niet meer'. Hij moet weer een zelf zien te vinden dat hem wél past maar dat luidt zijn mentale ineenstorting in. Hij zoekt steun bij een psychiater, een mooie lesbienne op wie hij verliefd wordt. Bij wijze van therapie schrijft ze hem tien pagina's Proust per dag voor, een therapie die Duane met lichte tegenzin volgt. Maar McMurtry slaagt erin geloofwaardig te laten zien hoe de ontwikkeling van verveling en leeghoofdigheid naar zinvoller invulling zich uiteindelijk min of meer voltrekt, in die mate zelfs dat het Duane helpt de dood van zijn vrouw te verwerken en haar nagedachtenis stijlvol in ere te houden.

Omtrek

Uit WB at the DQ leren we dat de auteur zelf een vergelijkbare fase meemaakte in zijn leven nadat hij in 1991 een vierdubbele bypass-operatie onderging. Tijdens zijn herstel las hij wat hij de Blauwe en de Witte Nijl van de taal noemt: Virginia Woolfs dagboeken en, jazeker: Prousts A la recherche du temps perdu. Maar daarna overkwam hem iets dat hij beschrijft als een moeilijk navoelbare nachtmerrie: `The content of my life, which has been rich, began to drain rapidly away.' Hij voelde zich meer als de omtrek van een persoon dan als een persoon, `en toen verdween zelfs ook die omtrek, uitgewist door wat er van binnen was gebeurd. Ik voelde me alsof ik verdwenen was.'

Lezen was hem onmogelijk – behalve in die Witte en Blauwe Nijl die als enige houvast door zijn hoofd bleven stromen.

Dat proces, de tastende, nog steeds geschrokken manier waarop McMurtry het probeert te beschrijven levert een van de meest indrukwekkende gedeelten op van dit vrij unieke autobiografische boekje. Waar hij ook over schrijft, McMurtry probeert zich nergens wijzer en filosofischer voor te doen dan waar zijn nederige cowboy-achtergrond hem als het ware toe lijkt te predisponeren. Dat raakt aan een van de vragen waarmee (misschien vooral de Europese?) lezer blijft zitten: hoe het komt dat iemand die zo gepassioneerd over het verzamelen van boeken kan schrijven, die op zo'n onwaarschijnlijke plaats als de Texaanse prairie zelfs iets als een aantal tempels voor het gedrukte woord deed verrijzen, zo onhandig blijft in het verwoorden van zijn passie voor de inhoud ervan.

Hoe het zij, beide boeken zijn geschreven door een auteur die een stem moest hervinden en ons deelgenoot maakt van niet alleen het resultaat maar ook het proces. Deze McMurtry is wijs maar ook narrig, gepassioneerd maar ook sarcastisch. Zijn gave als verhalenverteller is hij niet kwijt, en daarom is het wat spijtig dat hij dit duo boeken al zo snel liet volgen door Roads, een nieuw non-fictie werkje waarin hij zijn liefde voor de Amerikaanse snelweg beschrijft. Niets daarin van het gelaagde en gewaagde schrijverschap van de beide andere boeken. Zijn belangrijkste wens is onderweg te zijn, aan mensen heeft hij geen boodschap en al helemaal niet aan vrouwen naast zich, die godbetert musea willen bekijken! Dat valt nog te respecteren, maar zo groot als zijn verknochtheid aan de automobiel is, zo pedestrian blijven zijn observaties. `Drie passies hebben de meer dan zestig jaar van mijn overwegend gelukkige leven gedomineerd', bekent hij, `boeken, vrouwen en de weg'. Hij rijdt maar een eind weg, maar moge de auteur McMurtry weer snel zijn onderwerpen zoeken in die beide andere passies – of in zijn gereconstrueerde zelf.

Larry McMurtry: Walter Benjamin at the Dairy Queen. Simon & Schuster, 204 blz. ƒ54,95

Larry McMurtry: Duane's depressed. Pocket Books, 431 blz. ƒ24,95

Larry McMurtry: Roads. Simon & Schuster, 206 blz. ƒ49,95