Speel harder, ik hoor de zangeres nog

Wat is belangrijker voor het mooi vinden van een opera: de muziek of de tekst? Over die vraag gaat `Capriccio' van Richard Strauss, waarmee de Nederlandse Opera het seizoen opent.

Aan het slot van Strauss' opera Capriccio, na meer dan twee uur diepgravende discussie met een componist, een tekstschrijver en een schouwburgdirecteur, is de gravin er nog steeds niet uit. Wat is belangrijker in opera, de muziek of de tekst? Het theoretische probleem van de gravin doet zich ook voor op een praktisch niveau. Aan wie zal ze haar liefde geven, aan de dichter Olivier, die zo'n mooi sonnet voor haar schreef, of aan de componist Flamand, die het sonnet zo mooi op muziek zette? De gravin kijkt wanhopig in de spiegel en vraagt haar evenbeeld om een oplossing, die niet triviaal is. En dan komt er inderdaad een voorlopig eind aan het probleem. De butler kondigt aan dat het souper wordt geserveerd. Strauss' opera over opera is ten einde.

Hoe alledaags ook, eten is nooit triviaal en uiteindelijk altijd belangrijker dan de oplossing van het raadsel opera. Maar het is teleurstellend dat de componist Richard Strauss en zijn librettist Clemens Krauss er in hun Capriccio (1942) niet uitkomen wat belangrijker in opera is, muziek of tekst. Want de vraag is waarom we meer houden van de ene opera dan van de andere. Geeft de aansprekendheid van het verhaal de doorslag of gaat het toch om de meeslependheid van de muziek?

Richard Strauss, verreweg de succesvolste en meest ervaren componist van de 20ste eeuw, wist exact het antwoord op die vraag. Capriccio was na 70 jaar componeren zijn vijftiende en laatste opera, op dit gebied uitdrukkelijk zijn testament. Bovendien had hij voor zijn opera Intermezzo zelf de tekst geschreven. Strauss kende als geen ander uit de praktijk het mechanisme achter het succes of de mislukking van een opera. Er is slechts drietiende procent kans op een opera van eeuwigheidswaarde, terwijl twintig procent van Strauss' opera's die status heeft en de helft regelmatig wordt uitgevoerd.

Van de 50.000 opera's die de laatste vier eeuwen zijn geschreven, behoren er hoogstens honderdvijftig tot het ijzeren repertoire. Het zijn de sinds lang geliefde stukken die het publiek overal ter wereld steeds weer opnieuw wil zien en horen en die altijd bij voorbaat zijn uitverkocht. Don Giovanni, La traviata, Tosca en Salome horen daartoe, niet La clemenza di Tito, La bataglia di Legnano, Edgar en Feuersnot, al zijn ze van dezelfde componisten Mozart, Verdi, Puccini en Strauss.

Het vakmanschap en de roem van de componist zijn geen criteria. We houden immers van geen enkele van de meer dan vijftien opera's van Joseph Haydn, die we wel bewonderen vanwege zijn symfonieën, strijkkwartetten en zijn oratoria Die Schöpfung en Die Jahreszeiten. Schubert, geniaal in het componeren van teksten en het schrijven voor zangers, voltooide acht opera's, ook al vrijwel nooit uitgevoerd.

Misschien hadden Haydn en Schubert geen gevoel voor opera en drama. Maar ook van de beroemdste operacomponisten willen we lang niet alles horen. Van Mozarts 22 opera's worden er slechts vijf regelmatig uitgevoerd, allemaal late composities. Van Verdi's 26 opera's vinden we er minder dan de helft echt goed, vrijwel allemaal uit de tweede helft van zijn oeuvre. Mozart en Verdi konden echter ook in hun vroege jaren al uitstekend componeren.

Gekuist

In ons oordeel over een opera geeft niet de muziek maar de tekst, de dramatische kwaliteit van het libretto de doorslag. Mozart, Verdi en Puccini, door ervaring wijs geworden, kozen hun teksten dan ook met steeds meer zorg. Een bewijs dat een goede opera afhankelijk is van een aansprekend libretto en de geloofwaardige kwaliteit van het drama, is Madama Butterfly. De première was een mislukking, omdat de rol van Butterfly's echtgenoot Pinkerton te stuitend was. Een tenor veroorlooft zich niet zulke onheuse, denigrerende taal ten opzichte van zijn schoonfamilie, vonden de Italianen. Pas nadat Pinkertons tekst was gekuist, werd de opera een succes.

Richard Strauss, ook een fameus operadirigent, kende de geschiedenis en de wetten van de opera. Capriccio was een variant op een eerdere opera over opera. Het probleem van tekst en muziek was al in 1786 door componist Antonio Salieri en tekstschrijver Casti geschetst in de komische opera Prima la musica, poi le parole – eerst de muziek, dan de woorden. Het verhaal vertelt hoe binnen vier dagen een opera moet worden opgevoerd. De tekstschrijver dient een libretto te fabriceren op bestaande muziek. Ook de prima donna's zorgen voor complicaties. Maar alles eindigt in een door hen beiden harmonisch gezongen verzoening van tekst en muziek.

Anders dan Strauss en Krauss, die niet konden kiezen tussen het belang van muziek en tekst, kwamen Casti en Salieri honderdvijftig jaar eerder met verrassend eenvoudige oplossing. Het probleem is volgens hen een schijnprobleem, het probleem bestaat gewoon niet. Tekst en muziek vormen nu eenmaal samen de basis van opera als kunstvorm en beide zijn dus even belangrijk.

Dat was al zo sinds 1600, toen de kunstvorm opera in Florence ontstond als reconstructie van het antieke Griekse drama. In de opera's van Monteverdi was nog elk woord te verstaan, het zingen was niet meer dan een lyrische vorm van declameren. Maar later ging het steeds meer om de ijdele operazangers, de hoge noten en de verbazingwekkende coloraturen, ook al werd alles vrijwel onverstaanbaar en stond het drama tijdens lange aria's stil.

Niet voor niets situeren Richard Strauss en Clemens Krauss hun opera Capriccio rond 1775 in Parijs. Daar heerste een opera-oorlog tussen de aanhangers van de ouderwetse stijl, zoals die van de Italiaan Nicola Piccini, en van de bewonderaars van Christoph Willibald von Gluck, de opera-hervormer. Gluck ging het om het geloofwaardige drama, muzikale vormen waren daaraan ondergeschikt.

Gluck won uiteraard, maar 75 jaar later was er weer een hervorming nodig. Richard Wagner keerde terug naar het antieke theater en schreef zelf al zijn teksten, zodat drama en muziek in het Gesamtkunstwerk' voor het eerst in de operageschiedenis ineenvloeiden. Strauss noemde Wagners boek Oper und Drama (1850) `das Buch aller Bücher über Musik'. Zelf hield hij zich ook vanaf zijn derde opera Salome streng aan Wagners instructies. Strauss' teksten werden vrijwel alle geschreven door fameuze schrijvers als Oscar Wilde, Hugo von Hofmannsthal en Stefan Zweig of met hulp van hen door anderen. Met zijn tekstschrijvers had Strauss uitvoerige discussies.

Geen probleem

Daarom is het merkwaardig dat Strauss negentig jaar na Wagner alsnog een probleem zag in het vraagstuk Prima la musica, poi le parole en dat probleem uiteindelijk niet wist op te lossen. De totstandkoming van het libretto van Capriccio is al bewijs genoeg dat eerst de goede tekst er moet zijn, en daarna pas de muziek kan komen. Stefan Zweig suggereerde het onderwerp al in 1934 maar deed het schrijven van de tekst uiteindelijk over aan Joseph Gregor. Strauss verwierp het resultaat en vroeg een libretto aan Clemens Krauss, die later de première zou dirigeren. Krauss vond dat Strauss de tekst moest schrijven en uiteindelijk was het libretto een gezamenlijk werkstuk.

Al poneerde de opera over opera een probleem dat geen probleem was, toch zag Strauss de controverse tussen muziek en tekst werkelijk als een probleem. In 1942, in het jaar waarin Capriccio in München in premiere ging, schreef hij dat zijn vocale stijl fundamenteel verschilde van die van Wagner, omdat die het tempo had van een toneelstuk, en vaak in conflict kwam met de instrumentale samenstelling en de meerstemmigheid van een orkest. ,,De strijd tussen tekst en muziek was vanaf het begin mijn levensprobleem, dat Capriccio oplost met een vraagteken.''

Het levensprobleem van Strauss was een luxeprobleem, zelfs het enige probleempje dat de briljante, rijkelijk getalenteerde en zó gemakkelijk schrijvende componist van meer dan 160 werken kon hebben. ,,Ik werk niet, ik amuseer me'' was het credo van Strauss. Verder maakte hij van niets een probleem. In het theater was hij praktisch en het drama stond voorop. Als hij, zoals in Elektra, vond dat het dramatisch sterker was om de door hem gecomponeerde zangteksten te overspoelen met orkestmuziek, schreeuwde hij tegen de musici: ,,Harder, ik kan Frau Heink nog horen!''

En tegen Hans Hotter, in Capriccio de eerste vertolker van de rol van de dichter Olivier, zei hij dat hij die ene hoge noot niet hoefde te zingen, omdat die toch onhoorbaar was. ,,Maar doe wel je mond open en vergeet niet in te ademen, anders ziet het pubiek dat je niet zingt.'' Voor wie zo omgaat met zijn eigen muziek, of die nu voor zangers is of voor orkest, is het vraagstuk van tekst en muziek inderdaad niet meer dan een caprice.

Capriccio van R. Strauss door de Nederlandse Opera: 2 t/m 27 sept. Muziektheater Amsterdam. Res.: (020)6255455

Alle opera's van Mozart in Limburg door de Opera van Warschau: 1 t/m 23 sept. Res.: 0900-0191.

[streamliner]

Naarmate de operazangers ijdeler werden, werden opera's onverstaanbaarder

    • Kasper Jansen