Serviërs Mitrovica: vrede met bezetting

Het VN-bestuur in Kosovo sloot vorige week een loodsmelterij in Mitrovica wegens milieuvervuiling. De Serviërs reageerden woedend: de bezetting was het begin van hun ontslag. Inmiddels zijn ze er echter anders over gaan denken.

De stoom van het gesmolten lood werd al lang niet meer afgevoerd via buizen, want die zitten verstopt, maar verdween via de ingeslagen ruiten en het kapotte dak in de lucht. De werkschoenen bleven regelmatig steken in de zware klonten olie op de vloer. En stak de wind op, dan waaide het zwarte gruis in het rond en begonnen de werklieden te hoesten.

De loodsmelterij in het verdeelde Mitrovica in het noorden van Kosovo is een industriële dinosaurus. Zwart water stroomt door de fabriekshal. Pijpleidingen zijn gebroken. Olie lekt de grond in. Die milieuverontreiniging had zijn grens bereikt, concludeerde het VN-bestuur van Kosovo, UNMIK, begin vorige week. In de atmosfeer rond de smelterij had het tweehonderd keer de maximale toegestane hoeveelheid lood aangetroffen. In de vroege ochtend van 14 augustus vielen honderden soldaten van de vredesmacht KFOR de loodsmelterij binnen en legden hem stil.

Opzienbarend is de verontreining niet; van alle gebieden in ex-Joegoslavië is Kosovo het smerigst. In de bermen en op de speelplaatsen stapelt het huisvuil zich op, in de weilanden staan tientallen autowrakken en in de rivieren liggen kapotte wasmachines. Auto's en bussen die zijn afgekeurd in West-Europa, doen in Kosovo nog jaren dienst.

Met de Kosovaarse industrie is het niet beter gesteld. Ze is verouderd en voldoet niet aan de internationale milieu-eisen. Zo konden Britse experts vorig jaar de twee elektriciteitscentrales nauwelijks aan de praat krijgen – zulke oude machines hadden ze nog nooit gezien. De reparatiewerkzaamheden werden ook nog eens belemmerd door talloze brandjes, die werden veroorzaakt door rondspringende vonken in vuil en stof.

Waarom moest de loodsmelterij in Mitrovica dan ineens dicht? ,,Om politieke redenen'', zegt Oliver Ivanovic, leider van de Serviërs in Mitrovica. De verontreiniging zou slechts bijkomstigheid zijn. ,,Ik woon hier al vijfendertig jaar en voel me kiplekker.''

Sinds het einde van de oorlog in Kosovo is Mitrovica een verdeelde stad. De Kosovo-Albanezen wonen in het zuidelijk deel, de Kosovo-Serviërs in het noorden. De loodsmelterij, onderdeel van het uitgebreide mijncomplex Trepca, bevindt zich in het noorden. ,,Van de eenenveertig mijnen en fabrieken van Trepca werkt alleen onze smelterij'', zeggen de inwoners van Noord-Mitrovica trots. ,,De loodsmelterij moest dicht om het management in Belgrado op zijn plaats te zetten'', weet Ivanovic op zijn beurt.

Het tijdstip van de overname lijkt inderdaad zorgvuldig gepland. In september gaan de inwoners van Servië naar de stembus, in oktober volgen de Kosovaren. Maar in Kosovo zijn de Serviërs niet van plan mee te werken aan verkiezingen die onder toezicht van de internationale gemeenschap en tegen de wil van de Joegoslavische president Slobodan Miloševic gehouden worden. Van de tienduizenden Serviërs in en rond Mitrovica hebben er slechts vierhonderd zich laten registreren als kiezer. Van UNMIK en al zijn maatregelen trekken ze zich maar bar weinig aan. UNMIK moest dus laten zien wie de baas is in Kosovo – ook in het noorden. En dat zijn, voor alle duidelijkheid, niet de Kosovo-Serviërs of het aan Belgrado gelieerde management van de Trepca-mijnen.

Het internationale bestuur is inmiddels publicitair in de tegenaanval gegaan. ,,Het gaat ons ècht om de gezondheid van de inwoners van Mitrovica'', zegt een medewerker van de VN. Daarom heeft UNMIK het bloed van honderden werknemers laten onderzoeken. De resultaten van de eerste vijftig werden eergisteren in alle haast bekend gemaakt: eenenveertig arbeiders hebben meer dan veertig milligram lood in een deciliter bloed, tien van hen meer dan zeventig milligram. Over het gevaar wordt getwist; in sommige Westerse landen geldt veertig milligram als maximum, in andere landen is dat zeventig milligram.

UNMIK betaalt een voorschot van vijftig mark op het salaris van de werknemers. En dat blijkt een goede zet. Want gooiden de Kosovo-Serviërs eerst stenen naar de soldaten, nu prijzen ze de overname. Van het oude management van de smelterij hadden ze immers nog twee maanden salaris tegoed. ,,De werknemers staan met honderden in de rij om het geld te incasseren. Zoveel invloed heeft Belgrado in Mitrovica'', smaalt de VN'er voldaan.

Olivier Ivanovic, woordvoerder van de Serviërs in Mitrovica, is ook overstag gegaan. ,,Het maakt mij niet uit wie de eigenaar van de smelterij is. De mensen moeten goed worden behandeld en goed worden betaald. Dan vind ik het best.''

Maar wie is de eigenaar van Trepca, een van de grootste werkgevers in het voorooorlogse Kosovo? Wij, zeggen de internationale bestuurders en wijzen naar resoluties van de Veiligheidsraad van de VN. Daarin staat dat het VN-bestuur UNMIK het management van alle Joegoslavische staatsbedrijven in Kosovo overneemt. Wij, zeggen de Servische autoriteiten in Belgrado, die de resoluties niet erkennen. Wij, zeggen de Albanezen in Kosovo, die Trepca als een coöperatie beschouwen en nu kans zien een voet tussen de deur te krijgen in de Servische enclave die Trepca is. Ik, zegt de Griekse zakenman Evangelos Mitilineos, die geld zou hebben geïnvesteerd in het complex.

Op het fabrieksterrein lacht een handvol soldaten. ,,Wij zijn hier voorlopig de baas'', zegt een van hen en tikt daarbij op zijn machinegeweer. De baas van een ruïne, want voorlopig bivakkeren ze naast kapotte radiatoren, lekkende olievaten en een roestende locomotief.

    • Yaël Vinckx