`Schopenhauer bevrijdt je bladzij na bladzij van illusies'

De levensbeschouwing van Nietzschekenner Raymond Benders werd vooral gekleurd door de pessimist Arthur Schopenhauer.

In de Scheveningse huiskamer van Raymond J. Benders staat een bronzen kop van W.F. Hermans. Benders was bevriend met de schrijver gedurende de laatste zestien jaar van zijn leven en is de voorzitter van het Willem Frederik Hermans Instituut. ``Op de dag dat Hermans stierf, in 1995, heb ik een droom gehad'', zegt de vijftiger Benders. ``In die droom keek hij mij met onpeilbare melancholie aan. Ik ben opgestaan, achter de computer gaan zitten en heb een ontwerp van het instituut opgesteld. Het enige dat ik van belang achtte, als verweesde vriend, was ervoor te zorgen dat zijn werk gelezen zou blijven.'' Na overleg met de familie Hermans werd het instituut in 1998 opgericht, en inmiddels wordt er hard gewerkt aan een officiële bibliografie en de uitgave van het Verzameld Werk; ook werd de Leidse historicus Willem Otterspeer aangewezen als de officiële biograaf.

Hermans bracht Benders rond 1980 op het idee een boek over Nietzsche te maken, de filosoof waar Benders zich al sinds zijn studie wijsbegeerte en Nederlands hevig voor interesseerde. Hij zocht tientallen jaren in heel Europa naar materiaal van en over Nietzsche en deed bijzondere ontdekkingen; zo heeft hij bijvoorbeeld de verdwenen schrijfmachine van Nietzsche teruggevonden. Het boek is dit jaar eindelijk verschenen: Friedrich Nietzsche – Chronik in Bildern und Texten (Zie de bespreking op pagina 1).

Benders was waarschijnlijk nooit met het werk van Nietzsche in contact gekomen als hij niet op een beslissend moment de Aphorismen zur Lebensweisheit (1851) van Arthur Schopenhauer had gelezen. ``Ik heb tot en met drie-gymnasium op Rolduc gezeten, een katholieke kostschool in Zuid-Limburg. Mijn vader heeft ook op die school gezeten, hij heeft me de liefde voor filosofie meegegeven. Ik ben naar een ander gymnasium gegaan, ik had eigenlijk nooit priester willen worden. Het gebouw maakte diepe indruk op me, maar de geest was er erg bekrompen; drie jaar ben ik volgegoten met de katholieke ideologie, waar ik me niet in kon vinden. Op dat andere gymnasium had ik een leraar Latijn die prachtig lesgaf. Hij was achtentwintig jaar, een intrigerende man die eigenlijk nooit over zichzelf vertelde. Op een dag vroeg ik aan hem wat hij deed als hij 's morgens opstond. Hij zei: `Dan luister ik naar een van de Brandenburgse concerten van Bach en dan lees ik een aantal alinea's uit de Aphorismen zur Lebensweisheit van Schopenhauer, dan kan ik er weer een dag tegen'. Dat moet ik lezen, dacht ik toen.

``Het boek viel in vruchtbare bodem, door die katholieke opvoeding waar ik al vroeg twijfels over had. Ik vroeg me af wat de waarde van een dergelijke religie kon zijn in een wereld waarin ik voornamelijk lijden ontwaarde. Mijn moeder was ernstig ziek, waardoor ik het gevoel had in een andere wereld te verkeren dan die van mijn medescholieren. Ik voelde me ouder dan zij. Op de cour van de kostschool liep ik kilometers in het rond terwijl ik een boek las. Wat ik in die jaren om me heen aantrof, waren mensen die in mijn ogen façades ophielden, overtuigingen hadden zonder dat ze konden aangeven wat er de waarde van was. Later heb ik op school een academie opgericht die Thaumasia heette, niet voor niets, want ik vond dat de mensen eens met verwondering naar het bestaan moesten kijken.

``In Aphorismen zur Lebensweisheit word je bladzij na bladzij van illusies bevrijd. Schopenhauer geeft aan wat je zou moeten doen om het ongeluk zoveel mogelijk te vermijden; naar geluk streven levert volgens hem alleen maar leed op. Een prachtige passage vind ik die over de hoffelijkheid. Hij noemt het een vorm van valsemunterij. Je moet er niet spaarzaam mee zijn: omdat de munten vals zijn, moet je ze vooral uitgeven. Daarmee kun je jezelf beschermen en hoef je andere mensen niet voor het hoofd te stoten terwijl je toch een eigen leven kunt leiden. Als jongen wilde ik eigenlijk niet veel van mijn innerlijk laten zien, omdat ik me daarin niet veilig achtte. Dan probeer je een vorm te vinden om dat innerlijk te beschermen en die vind je bij Schopenhauer, en in het Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid, een boek van Balthasar Gracian dat Schopenhauer heeft vertaald.

``Toen ik het boek gelezen had, heb ik er met die leraar Latijn helaas maar kort over kunnen spreken. Voor het eind van het schooljaar is hij verongelukt. Dat maakte het boek nog dierbaarder voor me, ik zag het als een geestelijk kleinood dat hij mij ter bewaring had doorgegeven. Daardoor ben ik me nog meer met filosofie gaan bezighouden, ik wilde in die richting verder, cultuurfilosofie studeren. In 1964 kwam ik in Utrecht en bleek dat je dat helemaal niet kon studeren. Na een half jaar geschiedenis ben ik naar wijsbegeerte overgestapt. Ik was de enige eerstejaars tussen gemankeerde godzoekers van dertig jaar en ouder. Via Schopenhauer, en Nihilisme en Cultuur, het bijzondere proefschrift van J. Goudsblom, ben ik bij Nietzsche terecht gekomen.

``Ik wilde er geen meningen op na houden, want ik hoorde al te veel meningen om me heen. Waarnemen en analyseren zonder vooroordelen, zonder de zaken in de gebruikelijke hiërarchieën onder te brengen. Het was voor mij maar een kleine stap om het werk van W.F. Hermans ook mooi te vinden, de meest filosofische schrijver van Nederland. Ik wist in het begin nog niet dat hij een nauwe band met Schopenhauer had en hem ook al vroeg gelezen had, maar ik herkende onmiddellijk de illusieloze toon. Hermans, dacht ik, moet zich net als Schopenhauer bedrogen hebben gevoeld door de wereld om hem heen.''

Na jarenlang als leraar Nederlands te hebben gewerkt ging Benders in zaken. Hij begon een adviesbureau, werkte in Rusland en is tegenwoordig directeur van de holding van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. ``Ik vind het mooi om in minstens twee werelden te leven'', zegt hij. ``Misschien is dat terug te voeren op de tijd dat je als jongen je moet aanpassen aan je omgeving en toch ook een eigen leven wilt leiden. Dan ben je al bezig met een splitsing. En alleen maar kamergeleerde te zijn, dat is niet genoeg, ik vind dat je wel in dialoog met de wereld moet zijn. Wat dat betreft is het heel prettig om in het zakenleven te zitten. Daar word je niet verdacht van intellectuele interesses.''

Het Hermans Instituut beschouwt Benders als zijn belangrijkste werk, belangrijker dan het boek over Nietzsche. In al zijn activiteiten ziet hij een drang tot zelfverwerkelijking terug die misschien wel uit zijn kostschooljaren stamt. ``De enorme drang tot zelfverwerkelijking vind je bij Schopenhauer, die vind je bij Nietzsche, die vind je bij Hermans trouwens ook. Misschien vanwege een hele vroege beknotting. Wat je beknot wil op een gegeven moment op een andere manier ontspruiten. Als dat in een heel ernstige vorm gebeurt kan er een innerlijke woede ontstaan, die bij de een tot zelfdestructie leidt en bij de ander tot grote creativiteit. De drang tot zelfverwerkelijking, vooral bij mensen die in bedruktheid geleefd hebben – daar herken ik mezelf wel een beetje in. Zei Hermans niet dat rancune op zichzelf een respectabele drijfveer is? Je moet haar niet uitroeien maar het zo vruchtbaar mogelijk gebruiken.''

Arthur Schopenhauer: Bespiegelingen over levenswijsheid (Aphorismen zur Lebensweisheit). Vertaald door Hans Driessen. Wereldbibliotheek, 254 blz. ƒ36,50