Sail

Een groot `bootspotter' hoef ik niet te worden, maar het wordt wel tijd dat er een einde komt aan mijn onverschilligheid tegenover Sail 2000. Al enkele uren voordat het grote zeilfeest gisteren moest beginnen, liepen er honderdduizenden mensen langs het IJ. Wat zagen zij dat ik niet zag?

Ja, die boten zag ik ook wel. Prachtige boten, zeker, en het zonnetje scheen ook heerlijk. Voor een uurtje was het er best uit te houden. Maar een hele dag? Het zou bij mij op een Geeuw 2000 uitlopen.

Komt het omdat ik niets van boten weet? Zodat ik met de schandelijke gedachte rondloop dat als je één boot hebt gezien (nou ja, tien), je ze allemaal hebt gezien? Omdat ik nu eenmaal het verschil niet weet tussen een Wilnisse aak en een Leidse boeier, tussen een Staverse jol en een IJmuidense pral, tussen een Zeeuwse hoogaars en een Fries prûtske, tussen een tjalk en een tjolk? Schrap in voorgaande zin de niet-bestaande bootsoorten en u laat zien dat u er iets vanaf weet. Maar hoeveel mensen zullen niet net zo onwetend zijn als ik en toch ademloos hun vrije weekend bij Sail doorbrengen?

De sociologische kant van het festijn boeit me meer. Wie een treffende illustratie wil zien van de rijkdom van Nederland, moet naar Sail gaan. Op het water de (honderden) miljonairs, langs de oevers het best doorvoede voetvolk ter wereld. Niemand heeft honger, iedereen is bang dat hij het krijgt. Daarom zijn er overal langs de kant eetkraampjes opgericht. Vooral het broodje beenham is aan een schitterende opmars bezig. Dat zou ik nu graag uitgezocht zien: waren er bij de vorige Sail, vijf jaar geleden, ook al zoveel tentjes beenham?

Terwijl ik over die vraag stond na te denken, werd mijn aandacht getrokken door een groepje van drie mannen en twee vrouwen bij het terreintje voor het bungee jumpen, dicht achter een oever. Welgedane dertigers, twee mannen nog in het pak van het kantoor. Het was pas half zeven, maar ze waren al stevig aangeschoten. De mannen gedroegen zich als een soort oudere Lullo: halfgespeeld lallen, met een grote plastic bal op het publiek schieten, elkaar steeds geinig bij de kraag pakken. De vrouwen twijfelden tussen gêne en bewondering.

Opeens riep de enige man in een poloshirt: ,,Ik wil jumpen.'' ,,Dat heb je vanmiddag al gedaan, Albert'', zei zijn vriendin. ,,Ik wil het weer'', zei Albert. ,,Niet doen, Albert, we gaan straks lekker swingen'', zei de vriendin van de vriendin.

Maar Albert liet zich niet van zijn heldenrol afhouden. Hij zag er verhit uit, opgepompt door de drank. Eén sprong bij het bungee jumpen (duur: amper twee minuten) kost honderd gulden. ,,Ik heb geen cash meer, kan ik pinnen'', riep Albert. Even later bengelde hij machteloos ondersteboven in de lucht. ,,Appie, homo!'' schreeuwden zijn twee vrienden. ,,Nu even rukken, Appie, zaad op je hand!''

Paarsig aangelopen meldde Albert zich weer bij zijn vriendin. ,,Kijk niet zo boos'', zei hij, ,,het was een kick.''

    • Frits Abrahams