Poetin geeft leger, politie meer salaris

In een poging iets te doen aan de deplorabele staat van Ruslands strijdkrachten heeft president Vladimir Poetin gisteren per 1 december een loonsverhoging van twintig procent afgekondigd voor vrijwel alle uniformdragers.

Met deze geste kweekt de zwaar bekritiseerde president die vorige week zijn vakantie voortzette terwijl de 118-koppige bemanning van de gezonken kernonderzeeër Koersk verdronk hernieuwde goodwill onder brede lagen van de bevolking. De salarisverhoging geldt niet alleen voor het leger en de politie maar ook voor douaniers, cipiers en belastinginspecteurs. Toch is de loonsverhoging minder spectaculair dan op het eerste gezicht lijkt: vanaf 1 januari wordt er voor het eerst inkomstenbelasting (13 procent) op het loon van de Russen ingehouden.

Het eerste smartengeld aan de nabestaanden van de Koersk-bemanning wordt vandaag uitgekeerd door vice-premier Valentina Matvjenko. De familie van elke opvarende krijgt 720.000 roebel (ongeveer 60.000 gulden), een appartement en de standaardvergoeding van 120 maandsalarissen.

Vanuit de noordelijke marinebasis Severomorsk heeft gisteren alsnog een deel van de nabestaanden van de omgekomen bemanningsleden een zeereis naar de plaats van de ramp ondernomen. Boven de plek, 137 kilometer buiten de kust, waar het wrak van de Koersk met bemanning en al op de bodem van de Barentsz-Zee ligt, gooiden zij bloemen en kransen in het water. Veel vaders, moeders en vrouwen van omgekomen matrozen en officieren weigeren deel te nemen aan rouwceremonies zolang zij geen lichamen hebben gezien.

De berging van lijken en de gezonken Koersk zelf, met zijn twee kernreactoren aan boord, zal volgens deskundigen niet meer lukken voor de winter.

De Russische geheime dienst, de FSB, onderzoekt momenteel of twee Kaukasiërs aan boord van de Koersk (uit de Russische deelrepubliek Dagestan afkomstige deskundigen van de firma Dagdizel, die torpedo's voor de Russische marine maakt) wellicht in opdracht van Tsjetsjeense separatisten een kamikazeaanslag hebben gepleegd. De belangrijkste woordvoerder van de Tsjetsjeense rebellen had kort na de ramp gezegd dat er sprake was van ,,sabotage'' van de Dagestaan Sirajoedin Ramazanov, een man die de Tsjetsjeense zaak zou zijn toegedaan. Diens naam komt niet op de lijst van bemanningsleden voor, hetgeen overigens ook geldt voor de torpedodeskundigen: zij waren gasten aan boord. De chef van de FSB, Nikolaj Patroesjev, suggereerde daarop dat de ramp het gevolg van een terroristische actie kan zijn geweest en procureur-generaal Vladimir Oestinov opende een onderzoek. Een woordvoerder van de Noordelijke Vloot noemde de speculaties over een sabotagedaad echter ,,absurd''.