Peterselie, salie, rozemarijn en tijm

Ik hoorde er op de radio alleen nog maar de eerste maten van voorbijkomen – en ik gleed zo een ver verleden in. Dertig jaar niet meer gehoord, schat ik, maar binnen een seconde weer volkomen vertrouwd: Scarborough Fair. Gezongen door Simon & Garfunkel, een braaf Amerikaans troubadoursduo uit de jaren zestig, bestaande uit een kleine donkere zanger (Simon, voornaam Paul) en een lange blonde krullebol (Garfunkel, voornaam Art). Scarborough Fair is een wonderlijk licht lied, met iets weemoedigs en dromerigs, met licht getokkel op de gitaar, of is het een harp, tinkelende belletjes en enkele goed geplaatste clavecimbelriedels, en twee bedeesde zangstemmen – zo te horen in een kloostergang opgenomen. Een hit is het volgens de handboeken nooit geweest. Ik ken het omdat het plaatje indertijd bij toeval in de huisdiscotheek (tien singles en een LP) was beland en door mij op de kleine Lenco-koffer-pick up werd grijsgedraaid, ergens tussen mijn achtste en mijn tiende, dus zeg maar in mijn muzikale prehistorie, toen alle muziek nog even mooi was, of het nu om de voorbijtrekkende plaatselijke drumband ging of potje-met-vet in de bus, om de Heikrekels of The Troggs, het giechelend meegezongen meilied Sip Sap Sip Sap Siepe – of Simon & Garfunkel.

Dat Scarborough Fair zo'n sterk madeleine-effect heeft, is ook weer niet al te vreemd. Het is een aanzweverig lied: een lied dat komt aanzweven, vanuit een verte, als een wolk, of een geur, heel ijl en breekbaar, eerder met een bedwelmend dan een opwekkend effect. Ik vraag me af of iemand weet waarover het gaat. Het is geen lied om naar te luisteren, al was het alleen maar omdat de zanger (Simon of Garfunkel) na zijn simpele begin (gitaar, eerste couplet) ruwweg in de rede wordt gevallen. Na 45 seconden begint iemand anders (dat moet dus ofwel Garfunkel ofwel Simon zijn) er gewoon doorheen te zingen. En daar gaat hij vervolgens nog eens anderhalve minuut mee door. Het klinkt wel mooi, en sferisch, maar voor een goed begrip van de tekst is het funest. Pas als de tweede stem zijn mond houdt keert het lied weer naar zijn rustige begin terug. Het eerste couplet wordt herhaald en dan sterft het heel stil weg, met nog een mooie hoge snaarplonk tot slot. Zoals het aan kwam zweven, zo waait het ook weer weg.

Wat is er in de tussentijd gebeurd? Voor wie met de muziek en het vlechtwerk van de stemmen geen genoegen wil nemen zit er niets anders op dan te proberen de twee verhaallijnen te ontwarren en ieder afzonderlijk te bekijken. De eerste stem begint met een vraag: `Are you going to Scarborough Fair?' Scarborough was en is een havenplaats aan de oostkust van Engeland, en de Fair aldaar een grote jaarmarkt, in augustus, die wel enkele weken duurde. Op de vraag volgt dan een wonderlijke toverregel, waarin ik altijd zoiets meende te horen als heart sleeps angels marry in time, maar in werkelijkheid zegt de zanger, niet minder wonderlijk: Parsley, sage, rosemary and thyme. Dat is Engels voor: peterselie, salie, rozemarijn en tijm. Een boodschappenlijstje? Is de markt in Scarborough wellicht beroemd om zijn kruidenaanbod? Of is het zomaar een stoplap? Kolder misschien? Vergelijk Drs. P.'s Knolraap en lof, schorseneren en prei. Uit het vervolg blijkt in ieder geval dat de naam van de stad, of de kruiden, of de combinatie van beide de zanger herinneren aan zijn grote liefde van weleer: Remember me to one who lives there,/ she once was a true love of mine.

Het verzoek aan de luisteraar is nu of hij haar een boodschap wil overbrengen. Het meisje moet gevraagd worden of zij een cambric shirt, een batisten overhemd, voor hem wil maken, maar dan wel een zonder enige naad of ander stiksel – wat zoals bekend niet eenvoudig is. Pas dan zal zij de ware liefde zijn. Intussen klinkt daar ook nog, bij wijze van refrein, dat rare rijtje kruiden doorheen. Zo gaat de eerste stem verder. Het meisje in Scarborough moet ook gevraagd worden een stuk land voor hem te vinden, en wel tussen het zoute zeewater en het strand – een plek waar zoals bekend meestal weinig grond te vinden is, en al zeker geen goede landbouwgrond. Ook hier klinkt weer even, en opnieuw tamelijk onzinnig, de kruidenrefreinregel mee. Derde verzoek: of het meisje op dat land het gras (of het graan) wil gaan maaien, en wel met a sickle of leather, een lederen sikkel, en of ze het aldus gemaaide dan zou willen bundelen in een tuiltje hei – en ook dat zal in de praktijk niet meevallen. En dat is dan het slot van het ene lied dat hier gezongen wordt.

Wat wil de dichter ermee zeggen? Het is alleen goed te snappen voor wie weet dat dit drie willekeurig gekozen strofen zijn uit het veel langere, in verschillende versies overgeleverde, middeleeuwse troubadourslied Scarborough Fair. Dat had een mooie stapelstructuur en door zijn lengte (tien of meer strofen) een retorisch sterke, en ook komische werking. De geliefde uit Scarborough kreeg steeds absurdere opdrachten uit te voeren (was het overhemd in een droge bron, ploeg de akkers met de horens van een lam). Als zij dan begon te klagen was het moment aangebroken waarop zij de werkelijke boodschap te horen kreeg: ook in de liefde moeten soms onmogelijke opdrachten worden vervuld. `Love imposes impossible tasks/ though not more than any heart asks'. Als de geliefde het onmogelijke weet te presteren, dan mag zij de hand van de zanger komen vragen. Dat is het einde van het lied, waarin heel slinks tevens een allerlaatste onmogelijkheid verborgen zit – want een vrouw hoort een man natuurlijk niet ten huwelijk te vragen.

Intussen heeft, vanaf de 45ste seconde, daar dwars doorheen een soort tegenlied geklonken. Daarin gaat het er minder lieflijk aan toe. In drie coupletten wordt daar tegenover de onschuld van de natuur, een bos, een musje, de besneeuwde grond en een kind de harde werkelijkheid van de dood gesteld: een graf, tranen, een soldaat die zijn geweer reinigt en oppoetst. Het wordt steeds dreigender gezongen: het klaroengeschal in de verte, het naderende oorlogsgezang, de komst van scarlet batallions, uitmondend in wat zo te horen de tweede grote waarheid van dit lied moet zijn: `Generals ordered their soldiers/ to fight for a cause/ they've long ago forgotten'. Er wordt gestreden, ook al weet niemand meer waarvoor. Pas als deze waanzin gememoreerd is, kan het lied weer terugkeren naar zijn lieflijke, nu bijna zoetsappig klinkende middeleeuwse troubadoursbegin.

De luisteraar zal verward, of dan toch minstens wat tweeslachtig achterblijven. Er is liefde in de wereld en er is oorlog in de wereld – dat lijken deze twee in elkaar gevlochten liederen te beweren. Of: de liefde is vaak onmogelijk, maar de oorlog helaas niet. Dat zou dan passen bij de tweeslachtige indruk die dit lied maakt, en die ook wel rond het duo Simon & Garfunkel hangt: half middeleeuws, half jaren zestig; halve koorknapen en halve protestzangers; halve ideale schoonzonen en halve Bob Dylans. En het zou ook goed aansluiten bij de geest van die tijd, toen de kritiek op bijvoorbeeld de oorlog in Vietnam (bij uitstek een oorlog waarvan niemand weer wist waarom die ooit begonnen was) hand in hand ging met een bovengemiddelde belangstelling voor kruiden en bloemen. Tegen de oorlog, voor de liefde. Make love, not war. Dat moet van dit wonderlijk mooie lied wel de onverstaanbare boodschap zijn.

    • Guus Middag