Permanent in de spagaat

Nederlandse musea dreigen onbestuur- baar te worden. En dat ligt niet aan de eigengereide direc- teuren, zoals mu- seumconservatoren in het CS suggereerden, vindt de directeur van het Centraal Museum.

`Vijf conservatoren over de macht van museumdirecteuren' was de kop van het openingsartikel van CS van twee weken geleden. `Vijf conservatoren over de ónmacht van museumdirecteuren' had de lading van het artikel beter gedekt. Vijf museale stafleden, samen goed voor zo'n 50 mensjaren museumervaring, werden verleid tot het improviseren op de gedachte dat een museum zonder directeur wellicht beter af is dan met.

Een museum floreert alleen door teamwork en daarin is elke schakel essentieel. Dat het niet crescendo gaat in alle Nederlandse musea ligt niet aan de rol van de directeur, aan hiërarchie aan know how of het vermogen van de mensen die er werken om van gedachten te wisselen.

Het ligt aan iets anders. Musea liggen permanent in spagaat. Tussen overspannen verwachtingspatronen en kerntaken, tussen beschikbare middelen en gewenste investeringen, tussen verzuilde meningen en opportunistische gedachten. Musea dreigen langzamerhand onbestuurbaar te worden. Er zijn voorbeelden te over. En zelfs de beste museumdirecteuren kunnen er dan soms niets meer aan doen.

Alom zijn er de exploitatieproblemen. De basiskosten van een museum zijn hoog, maar de politiek verwacht dat de musea het zelf oplossen, en anders zoekt u maar een sponsor. Maar basiskosten zijn toch echt niet sponsorabel. Het Stedelijk Museum heeft door een flirt met een automerk de Amsterdamse gemeenteraad na jaren van inertie ervan overtuigd dat actie geboden is. Let wel, het gaat om de rol, naam en de faam van ons nog steeds belangrijkste museum voor moderne kunst.

Het Bonnefanten Museum en het Groningen Museum hebben na drie jaar discussie, het zal ook nog ten koste gaan van afslankingen en reorganisaties, uiteindelijk het exploitatiebudget erbij gekregen dat bij een groot, druk museum past.

In Utrecht zou het succes van het Centraal Museum nu al wel eens de grenzen van de groei kunnen gaan afbakenen. Het 50 procent grotere oppervlak en de grotere toestroom van publiek, leidt automatisch tot meerkosten in bewaking, elektriciteit schoonmaak, educatie en marketing. De exploitatie wordt na een jaar draaien opnieuw vastgesteld, maar zekerheid omtrent een adequate basisexploitatie bestaat er nog allerminst.

Neem nou Den Haag. Binnenkort neemt Hans Locher vervroegd afscheid van het Gemeentemuseum als directeur. Een besluit dat hij `onvermijdelijk' heeft genoemd. Waarom vertrekt zo'n ervaren en effectieve museumdirecteur voortijdig? Locher wist in enkele jaren tijd van een failliet museum weer een goedbezocht, florerend instituut te maken, voorzien van een financiële reserve. Hij wist en passant in een armlastige gemeente een gerestaureerd museummonument voor 53 miljoen te bezorgen.

Hij liet een zeldzaam topwerk van Mondriaan van een New Yorkse slaapkamer naar de Haagse erezaal verhuizen. Het Gemeentemuseum werd onder zijn leiding ook nog eens een van de schaarse Nederlandse musea voor moderne kunst waar met hart en ziel aan educatie en kennisoverdracht én het naar binnen halen van nieuwe publieksgroepen wordt gewerkt.

Daar geeft het Haags Gemeentemuseum alleen al meer geld aan uit dan alle musea voor moderne kunst in Nederland samen.

Wat ging er dan mis? De gemeente Den Haag bood Locher 10 miljoen gulden voor de belendende Schamhartvleugel en Locher wilde er dan 2 miljoen gulden bij voor de exploitatie. Niet alleen voor schoonmaak en energiekosten, maar ook omdat het geld kost om tentoonstellingen te maken waar het publiek niet alleen armer, maar ook beter van wordt.

Dat vond Den Haag toch wat veel gevraagd. Hans Locher houdt de eer aan zichzelf. Daar gaat een van de beste museumdirecteuren van Nederland, die zo brutaal was vooraf te zeggen wat een taakuitbreiding kost.

Er valt natuurlijk veel te verbeteren in de musea zelf, om te beginnen bij de kerntaken conserveren en presenteren, en daarnaast vooral aan de publieksvriendelijkheid, de educatie, informatievoorziening en de interpretatie van de collecties. De musea zouden er goed aan doen een eigen praktijktrainingsprogramma te starten waar de medewerkers en stafleden van de toekomst worden klaargestoomd. De musea zouden wat vrijer met hun collecties kunnen omgaan, meer kunnen doen aan het jonge publiek, meer moeten doen aan toegepast wetenschappelijk onderzoek en een actievere ambassadeursrol kunnen spelen bij het verhalen van de eigen (kunst)geschiedenis, vooral ook in het buitenland.

Musea willen natuurlijk niets liever dan een gewaardeerde intermediair zijn tussen kunst en het regionale, nationale en internationale publiek. Dat wil zeggen, het oude en het nieuwe publiek. Maar verwacht niet meer van de karig bedeelde instellingen dan mogelijk is. Waar Unilever tientallen miljoenen uittrekt om met een nieuw pakje boter een nieuwe markt aan te boren, en dat mislukt dan toch nog regelmatig, hebben musea amper de middelen voor een annonce in de weekendkrant, laat staan voor het binnenhalen van de zogenoemde nieuwe doelgroepen. Of voor de schoonmaak van hun nieuwe vleugel. Terwijl cultuur een grote rol speelt als factor in de sociale cohesie, het museum onze kunst en geschiedenis een plaats geeft, een grote werkverschaffer is, en een economische vestigingsplaats- en bindingsplaatsfactor van jewelste, worden de tarieven in de musea opgedreven en wordt er door de financiers met een Jan Salie geest naar elke stuiver gekeken.

Sjarel Ex is voorzitter van de landelijke commissie publieksbereik hedendaagse kunst en directeur van het Centraal Museum in Utrecht.

[stream liner]

Unilever trekt tientallen miljoenen uit om een nieuw pakje boter te introduceren. Musea kunnen amper een annonce in de krant betalen

    • Sjarel Ex