Onweer

Max en Vera sliepen, en hoe! De een sliep als een blok, de ander als een roos. Max was het blok, Vera de roos. Misschien was het wel andersom, dat kon ook. Het kwam op hetzelfde neer. Zo lekker lagen ze slapen.

Max lag op zijn buik. Hij had dekens van zich afgeschud. Hij droomde dat hij door een lange gang liep. Hij moest oppassen dat hij zijn hoofd niet stootte. Het was een mollengang. Bij iedere bocht die hij omging, verwachtte hij de mol. Maar het dier was nergens. Na een tijdje begon Max te denken dat hijzelf de mol was. Hij hoorde hier en daar gerommel en gebons. Boven de grond waren kinderen aan het spelen. Max hobbelde lekker verder in de gangen. Ondertussen sliep hij als een blok.

Vera lag op haar rug met haar mond open. Ze wist niet of ze droomde. Ze wist wel dat ze sliep. Misschien dat ze dus droomde dat ze sliep. Terwijl ze ook nog echt sliep. Dat kon. Het was zo'n warme, soezelende slaap waar ze in lag, alsof ze in stroperig water ronddobberde, heerlijk.

Toen klonk een harde knal.

Max was de eerste die hem hoorde. Hij dacht dat boven zijn hoofd een van de spelende kinderen een grote schep in de grond stak. Hij schrok zich een hoedje en draaide zich op om weg te hollen. Vera voelde een zachte schok. Het kon van alles wezen, maar het kon ook niets zijn - zoiets dacht ze in haar stroopslaap, en ze draaide zich op haar zij en trok de dekens over haar hoofd.

Weer een knal!

Deze keer was het niet zomaar een knal, maar een knetterende ontploffing recht boven hun hoofden. Max en Vera schoten allebei meteen overeind. In de echo van de ontploffing zagen ze door een spleet in de gordijnen allemaal lichtflitsen langs de hemel spetteren. Het leek wel vuurwerk, maar dat was het niet. Het was onweer.

Weer een dreun.

Nog meer bliksemschichten.

`Jeetje,' mompelde Vera, `het onweert.'

`Echt waar?' vroeg Max. Dit was om te plagen. Hij wist heus wel dat het onweerde.

Vera stond op uit bed. Ze was niet bang voor onweer. Als je niet buiten onder een boom stond, kon er niks gebeuren. En ze was niet van plan om naar buiten te gaan. Ze liep naar het raam en deed de gordijnen open. Het onweer zette de hele hemel in vuur en vlam. De wereld was roze en lichtblauw, en alles leek te schommelen en te beven: de bomen, de huizen, de kerktoren van het dorp in de verte. Alsof een reus van de hele wereld een foto met flits maakte.

En prompt was het weer donker.

`Het regent niet,' zei Max vanuit bed, `dat is gek. Het moet regenen als het onweert.'

`Van wie moet dat?' vroeg Vera. Ze telde zachtjes hoe lang het duurde tussen de knal en de flits.

Weer een knal.

Vera huiverde. Het was eigenlijk helemaal geen knal. Het was een donderend geknetter. Een hard gekraak. Alsof de lucht werd opengescheurd door machtige handen. Weer dacht ze aan de reus. Daarnet had hij een foto gemaakt en nu maakte hij alles kapot. Ineens klonk er geratel op het dak.

`De regen,' riep Max, `zie je nou wel dat het regent als het onweert?'

Vera zag niets. Ze wachtte op de bliksem. Dan zou ze alles weer zien. Als het niet al te hard ging regenen tenminste. Want het water stroomde al langs het raam.

Flits!

Deze keer was het niet zomaar een flits, maar een lange boom van licht die ondersteboven aan de lucht leek te staan. De dunste takken priemden als speren naar de aarde. Vijf tellen zaten er tussen het knallen en het weerlicht. Het onweer kwam hun kant op.

`Ik kom bij je in bed Max,' riep Vera boven het ratelen van de regen uit, `ik ben toch wel een beetje bang.' Ze schaamde zich niet. Het was helemaal niet erg om bang te zijn. En zelfs wel leuk. Je kon dan gezellig in elkaars armen liggen en wachten tot het voorbij was.

Dat deden Max en Vera dan ook. Ze sliepen alweer toen het onweer nog niet eens voorbij was, de een als een blok en de ander als een roos.

    • Martin Bril