O trompetgarnaal, o, kleine zeenaald

Is het mogelijk `alles wat de zee te bieden heeft' vast te leggen in één foto? Een keuze uit de fotocollectie Nederland biedt een beeld van honderdvijftig jaar `gedoe' aan onze kustlijn.

In de zomer van 1952 strikte ik mijn badpak om, gespte mijn sandalen dicht en klom bij mijn vader achterop de fiets. We gingen, nu we in de nieuwe stad woonden, naar zee. Mijn moeder had ons al gewaarschuwd, de zee zou een verschrikkelijke teleurstelling worden. Zijzelf had, toen ze in 1934 diep uit het Europese binnenland komend voor het eerst oog in oog had gestaan met de Noordzee, voorgoed geweten dat alle volwassenen leugenaars waren. De zee die blauw en stralend had moeten zijn, was even dichtgeslagen en bruin geweest als de Hollandse huiskamers, een nietszeggende vlakte waar niets gebeurde dat je belangstelling kon opwekken. Om haar te plezieren herinner ik me niets van de zee, die eerste keer. Er was alleen zand, overal zand en emmertjes en schepjes waarmee verwoed moest worden geschept en gedaan en er was de dommelige terugweg langs de Kennemerduinen, waarvan elk betonblok twee en een halve trap van de pedalen lang was. Plus de eerste vervreemding daarna, wanneer de badpakken werden gespoeld en ik dacht: dat blauw-witte natte velletje, ben ík het die daarin heeft gezeten?

Toch zou ik er veel voor over hebben die tocht nog eens over te kunnen maken, want het strand moet toen betrekkelijk stíl zijn geweest, veel stiller in ieder geval dan nu op zonnige zomerdagen, veel stiller dan het strand ooit nog zal zijn. Alles wordt door het getal van de mensen enigszins bedorven, behalve nu juist de zee zelf, dat eeuwig bewegende, onbetrouwbare dier dat weet dat het veel krachtiger is dan wij en daarom alle tijd van de wereld heeft.

De tentoonstelling De Noordzee, een keuze uit de fotocollectie Nederland geeft een beeld van honderdvijftig jaar menselijk gedoe aan de kustlijn, nooit eerder getoonde privékiekjes uit fotoalbums, alle gemaakt om een bijzonder moment vast te leggen, van een gelukkige familiedag aan het strand tot aan de aanbouw van het Noorder zeehoofd van de pier van IJmuiden. Het is een klein, weinig spectaculair overzicht van de Nederlander en zijn kust, gemaakt met oog voor dramatiek en de juiste belichting, maar desondanks eerder intiem dan groots, eerder teleurstellend dan verrassend.

Toewijding

Toch valt er wel wat te genieten van het Hollandse dagje aan het strand. Het eerste wat opvalt is de nutteloze toewijding van de fotografen. Zonder uitzondering hebben ze allemaal het idee gehad iets heel bijzonders voor hun lens te hebben, iets dat verloren zou gaan als het niet werd vastgelegd, maar het grappige is dat het allemaal niet belangrijk is wat ze fotografeerden. Foto's van de kraan `Titan' bij de aanleg van de pier van IJmuiden, een soort paard van Troje op rails, met een takel, aangedreven door een stoommachientje, wie kan daar nu belangstelling voor opbrengen; van het eenzame stoomlocje bij de aanleg van het Noordzeekanaal dat het bochtige, te kleine Noord Hollandsch kanaal moest vervangen; van het motorschip `Heinrich Podeus' in 1928, op zijn kiel op het strand getrokken; van de lange arm van een windhoos in 1948; van de eerste onderzeeër `Luctor et Emergo' van de Koninklijke Nederlandse Marine uit 1905? Onderwerpen van niets, tenzij je je voorstelt hoe de fotograaf van huis ging, een dag vrij van werken voor de kost, zijn oudste zoon in zijn kielzog en hoe ze daar op de kade stonden, gebiologeerd door de bedrijvigheid aan de vloedlijn, de regen en wind om hun oren, dromend van alles wat niet met de kleine huiskamer te maken had. Een enkele keer had hij geluk: het moment waarop de onderzeeër `Hare Majesteit de Tijgerhaai' boven water kwam. Dat zouden ze nooit meer vergeten.

Zo dwaalden wij vroeger met mijn vader uren over de sluizen van IJmuiden waar de grote zeeschepen werden geschut. Het ging langzaam, urenlang gebeurde er niets, maar het was groots want de zee was groots en alles wat daaruit kwam, roestig, gezouten, geteerd. Het wonen in een land aan de rand van de zee was een privilege dat niemand precies onder woorden kon brengen, maar het hield ons tegen wil en dank bezig, het biologeerde ons. Gestrande inktvissen, op het droge geworpen potvissen. Toen er nog geen televisie was, was daar het echte leven. En de sluiter klikte.

Dan zijn er de dagjes aan het strand, waar de hele familie bij betrokken was. Aan het eind van de negentiende eeuw begon het strand iets te worden dat goed was voor de gezondheid. De hier en daar gefotografeerde vissersvrouwen uit Katwijk, uit Noordwijk, uit Scheveningen moesten er niets van hebben en vertoonden zich alleen in de duinen of stuurs aan de branding, in vol ornaat, de zwarte onderrokken schurend over het zand, de kleurrijke schorten opbollend in de wind en de kanten mutsen fier op het hoofd. Maar de eerste moderne familie is een echt `badgezelschap'. Ze zitten in rieten bolle windstoelen, de vader in uniform, de kinderen met de gouvernante in matrozenpakjes. De moeder kent het moderne zonnebaden nog niet en houdt zich onledig met het aquarelleren van een zeegezicht. Straks gaan ze in zee met de badkoetsjes. Het besef begint te dagen dat de zee er niet alleen voor de kost is, maar ook voor het plezier.

Pubers

Daarna is er geen houden meer aan: families aan zee, kleine jongens aan zee van Jan Zeegers, zes pubers op een rijtje van Rineke Dijkstra, duikende kinderen van Carel Blazer, hondje in de branding van Cas Oorthuys en daar hebben we warempel Margot Frank in jongemeisjesbadpak, zich bewust van haar ontluikende vrouwelijkheid en haar zusje Anne Frank, lachend en brutaal in de lens kijkend, of bouwend aan een zeekasteel met in eigen handschrift: `Anne verdedigt een gewezen burcht tegen de opkomende zee.' Het jaartal is 1939.

Een foto van kinderen, bezig bosbessen te plukken in de Kennemerduinen in 1940, roept herinneringen op aan windstille heerlijke duinen, vol zomerse zoete geuren, waar wij zeven jaar na de oorlog met de hele straat een lange voettocht naar toe hadden gemaakt. Alle kinderen van de straat waren een halve dag zoek geweest, meegenomen door de rattenvanger van Hamelen en toen we uit de dood oprezen, waren onze moeders zo blij dat ze ons een draai om de oren verkochten. De Kennermerduinen was verboden terrein, daar was het nog oorlog, daar lagen handgranaten en oorlogslijken onder het zand, daar loerde vernietiging en verderf en het kruis op het verre duin herinnerde ons er aan: kom hier niet, blijf ver!

Er hangen twee naaktfoto's op de tentoonstelling. De eerste is van een man die zijn Terlenka pak keurig heeft opgevouwen tot een stapeltje naast hem. Hij is geheel uit de kleren gegaan, slechts ter zake bedekt door een handdoek, maar hij heeft zijn hoed opgehouden. Wat er ook gebeurt, hoed op!, zie je hem denken terwijl hij zijn hele lijf laat koesteren door de zon. Zolang hij zijn hoed opheeft weet zijn vrouw van niets, zijn baas van niets, is hij veilig. Het andere naakt van Emmy Andriessen is de kroonfoto: een jonge vrouw, recht en sterk van lijf en leden, op de rug gezien, wrijft het zand uit haar ogen met een wapperende, Omo-blanke handdoek, aan de voet van een bijna spiegelgladde zee. O trompetgarnaal, o, kleine zeenaald, denk je bij het zien ervan, o, klokdiertje, roeipootkreeft, vinparasiet, antipode, o, goudkammetje.... Maar dat is niet juist, want die namen zijn ontleend aan de foto's van zeefossielen waarvan er nog duizenden in de archieven liggen opgeslagen. Alle namen van de zee zijn voor het Noordzee-naakt van Emmy Andriessen nog niet goed genoeg. Dit naakt vat alles samen wat de zee te bieden heeft.

Dan is er tenslotte Frits Rotgans en de zee. De fotograaf van talloze zeeportretten. De zee bij storm, bij kalm weer, de zee met meeuwen, met lepelaars, kotters op zee, rollende zee, zonsondergang op zee, zonsopgang op zee, de zee bij laag water, bij hoog water, altijd alleen maar de zee, zonder mensen, louter de bedoeling van de zee, die geen bedoeling heeft en toch een wezen is dat door Frits Rotgans wil worden begrepen. Op de laatste foto heeft hij het opgegeven. Daar staat hij eindelijk zelf op, samen met zijn vrouw en een meerpaal, gedrieën werpen ze lange schaduwen. De `foto is gemaakt door Fritsje'. De vrouw van Frits Rotgans heeft zwarte lakpumps aan met een gouden kwastje, een bontje om de hals, een grote damestas aan de arm. Ze draagt haar bril en haar haar als Annie M.G.Schmidt. Ze turen in de lens. Achter hen is de eindeloze zee. Arme Frits Rotgans, een leven lang gewijd aan de bewegingen van de zee, die ongrijpbare, onbegrijpelijke entiteit, zoekend haar te begrijpen en haar vast te leggen en eindigend als Frits Rotgans met vrouw en meerpaal.

De Noordzee, een keuze uit de Fotocollectie Nederland, De Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam 24 augustus t/m 22 oktober, dagelijks van 100-00 tot 18.00 uur, fl. 10,- p.p.

Toen er nog geen televisie was, was aan zee het echte leven