Ik kan geen twee dingen tegelijk

Charlotte Mutsaers krijgt volgende week de Jacobus van Looy-prijs voor zowel haar beeldende als haar literaire werk. ,,In mijn boek Paardejam heb ik uiteengezet dat ik eigenlijk een triple-talent ben, omdat ik ook de paardrijkunst zo goed versta.''

Praten over haar werk, dat doet schilderes en schrijfster Charlotte Mutsaers niet graag. ,,Mijn werk is mijn werk al'', zegt ze. Haar boeken en schilderijen moeten in de eerste plaats aan haar eigen smaak beantwoorden. Als ze af zijn, zijn ze af. Sinds 1983 publiceerde Mutsaers zelf-geïllustreerde verhalen, twee romans en drie essaybundels. Voor de laatste daarvan, het vorig jaar verschenen Zeepijn, ontving ze niets dan lof. Zeepijn is een wonderbaarlijk boek. De schrijfster scheert erin langs teksten en beelden van anderen en haalt jeugdherinneringen op, en belicht zo stapsgewijs het verband dat zij ziet tussen de zee, dennenbomen en kerstmis. De klare taal doet de ontoegankelijkheid van het thema gauw vergeten. Zeepijn werd in België genomineerd voor de Gouden Uil en in Nederland won Mutsaers er de Busken Huet Prijs mee, een van de 25 prijzen die op 7 september worden uitgereikt door het Amsterdams Fonds voor de Kunst.

Al deze complimenten uit literaire hoek zouden haast doen vergeten dat Mutsaers in de eerste plaats naam maakte als schilderes en illustratrice. Dat zal volgende week veranderen, als ze haar tweede belangrijke prijs van dit najaar in ontvangst neemt: de Jacobus van Looy-prijs, bestemd voor Nederlandstalige dubbeltalenten. Eerdere winnaars waren de schrijvende schilders Armando, Lucebert en Breyten Breytenbach. Op 2 september, de dag van de uitreiking, opent een grote overzichtstentoonstelling van Mutsaers' beeldende kunst in de Vleeshal, een dependance van het Frans Halsmuseum in Haarlem.

Mutsaers heeft niet vaak geëxposeerd, maar haar werk vond gretig aftrek bij vooral particuliere verzamelaars. Ze illustreerde boeken en ontwierp in 1987 een serie kinderpostzegels. Een paar van haar schilderthema's zijn heel bekend geworden: `La Belle et la Bête' bijvoorbeeld, een reeks krachtige, kleurige zelfportretten van Mutsaers en haar hondje, en een serie Piëta's. Het boek dat verschijnt bij de tentoonstelling in de Vleeshal, Fik & Snik, is een perfecte belichaming van Mutsaers' dubbele gezicht. Behalve afbeeldingen van schilderijen bevat het ook een bibliografie, een interview waarin Mutsaers een journalist de nuances van Zeepijn tracht uit te leggen en een serie bijdragen van auteurs als Hella S. Haasse, J. Bernlef en Rutger Kopland, die de laureaat eren met een gedicht of een persoonlijke boodschap.

Jury's en collega's hebben soms zichtbare moeite om het hunne toe te voegen aan Mutsaers' (beeld-)taal. ,,Er is sprake van gelaagdheid'', staat er dan, of: ,,Ondanks allerlei uitweidingen is een duidelijke redenerende samenhang zichtbaar.'' Mutsaers is een categorie op zichzelf, wordt steeds gezegd, ze past in geen enkele stroming. Het feit dat ze over een dubbel talent beschikt maakt de verwarring nog groter. Is ze nu schrijfster of schilderes? En als ze het allebei is, waarom leverde ze de laatste tien jaar dan geen schilderijen meer af? Voor Mutsaers zelf zijn het ergerlijke vragen, temeer daar ze dacht ze al afdoende te hebben beantwoord in een van de essays uit haar bundel Paardejam (1996): `Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard'.

,,De erkenning voor dat dubbeltalent is verdomd leuk, maar ik denk ook: ik heb nog veel méér talenten'', zegt Mutsaers in haar werkkamer in het Belgische Oostende, waar ze een deel van het jaar woont. ,,In Paardejam heb ik al uiteengezet dat ik eigenlijk een triple-talent ben, omdat ik ook de paardrijkunst zo goed versta. Zo zijn er een zwik dingen. Als ik meer tijd had zou ik me ook vaker aan de kookkunst willen wijden, en weer muziek willen maken.

,,Behalve een gave is het dubbeltalentschap volgens mij een geestesgesteldheid om zoveel mogelijk dingen in jezelf te ontwikkelen. Omdat je denkt: ik ben maar een heel klein momentje op aarde. Je wilt coûte que coûte oproeien tegen de vergankelijkheid die overal om zich heen grijpt. In een interview heb ik mijn schilderijen ooit `triomfjes over de dood' genoemd. Zo optimistisch zou ik me nu niet meer uitdrukken, maar een soort weerwoord, dat is het wel.''

Zijn er externe omstandigheden die maken dat u gaat schrijven dan wel schilderen? U woont afwisselend in België, Nederland en Frankrijk. Zetten die plaatsen tot verschillende bezigheden aan?

,,Het is een gecompliceerde zaak. Als ik hier in Oostende naar de zee kijk denk ik vaak genoeg: ik wil schilderen. Maar dat kan ik er nu niet bij doen, omdat het schrijven mij zo'n gigantische inspanning kost. Ik botste steeds vaker tegen dingen op die ik met geen mogelijkheid beeldend uit kon drukken, en die ik wel wou uitdrukken. De mogelijkheden van de literatuur zijn zo ontstellend wijd vertakt. Zo is langzaam het schrijven gaan overheersen. Daar ligt geen duidelijke besluitvorming aan ten grondslag. Het is ook niet zo dat ik schilderen minder belangrijk vind. Ik sluit niet uit dat ik het weer ga doen. Maar ik heb nog voor jaren schrijfstof. Voorlopig moet ik gewoon hartstochtelijk doorschrijven.

,,Daarin verschil ik van andere dubbeltalenten, dat ik de twee dingen niet tegelijk kan. Lucebert kon dat... Misschien is het voor een dichter anders, omdat elk gedicht een entiteitje is. Maar voor iets van zo'n lange adem als een boek moet ik al mijn concentratie hebben. Een schilderij is soms na twee weken al af. En als je schildert kan je je geest vrij laten bewegen, aan eten denken of wat dan ook. Je kan er muziek bij draaien. Bij het schrijven kan dat allemaal niet.

,,Het is ook maar hoe je bent, hè? Ik kan niks half doen. Toen ik meer ging schrijven, ben ik ook gestopt met schilderles geven aan de Rietveld Academie. Terwijl ik dat enig vond, en heel spannend. Met sommige leerlingen heb ik nu nog contact. In elke klas zaten er wel één of twee die ontzaglijk getalenteerd waren. Als iemand begint aan een kunstbeoefening is dat een enorme zelfontdekking, je weet soms zelf niet wat je allemaal in huis hebt. Ik probeerde altijd om dat proces te enthousiasmeren, zonder iemands vrijheid te beknotten of te vertellen hoe het moest.''

Meer dan tien jaar gaf u les op de Rietveld Academie. Hebt u het klimaat daar in de loop der jaren zien veranderen?

,,Eind jaren tachtig begon er een sfeer op te komen waarin mensen mij vroegen hoe ik het, schrik niet, gemaakt had. Wat moet je daar nou op zeggen? Ik heb altijd maar gewoon gewerkt, hè? Geschilderd. In kunstenaarscafés of op openingen bij trendy galeries kwam ik nooit. Maar leerlingen kregen toen het idee aangepraat dat ze recepties bij galeries moesten bezoeken, om de juiste mensen te leren kennen. Ik zei altijd: dat is quatsch. Als je nou maar hard doorwerkt en je maakt leuke, interessante dingen, dan valt daar op een gegeven moment wel een zinnig oog op. Maar ik begon te zien dat mensen die helemaal mijn beste leerlingen niet waren door dat receptiebezoek toch een soort succes kregen. Dan bedachten ze weer iets, `After Nature' of zo, of ze zeiden: `Schilderen mag weer'. Schilderen mag weer! Alsof het niet altijd heeft gemogen. Dat soort dingen heeft me erg verbaasd. Vlak voor mijn vertrek waren er ook afdelingen op de Rietveld waar de studenten al leerden om precies uit te leggen: wat wil ik met mijn werk? Dat lijkt me de omgekeerde wereld. Meestal heeft je creatieve gemoed een voorsprong op je rationalisering ervan. Wat je precies wil ontdek je pas gaandeweg.''

De nieuwste ontwikkeling op kunstacademies is dat het design van dagelijkse dingen, van gebruiksvoorwerpen en internet-sites bijvoorbeeld, belangrijker wordt. De gedachte erachter is dat nu eenmaal niet voor iedereen een carrière als schilder is weggelegd.

,,Dat is belachelijk. Geen enkele academie hoeft garant te staan voor het beroep dat een leerling later krijgt toebedeeld, of de roem. Als iemand zonodig naar de kunstacademie wil, is dat een vrije keuze van een volwassen iemand. Een leraar moet talent ontwikkelen, dat is alles. De enige verantwoordelijkheid van academies ten aanzien van de samenleving is om niet teveel mensen aan te nemen, want dat kost, dat kost... Maar niet iedereen hoeft toch naar de academie toe? Waarom?''

Na de middelbare school ging u eerst Nederlands studeren, daarna bent u alsnog naar de Rietveld gegaan.

,,Ik zag er enorm tegenop. Ik kende niemand uit dat milieu. Ik durfde het pas toen ik op De Werkschuit en op particuliere cursussen ontdekte dat ik altijd veruit de beste van de groep was. Dan wil je weleens een stapje hoger wagen. Op mijn 29ste werd ik aangenomen op de Rietveld, en toen ik eraf kwam was ik 35. Een laatbloeier dus, maar die bloeien langer door. Dat zie je bij planten ook.

,,Dat schrijven, dat stond altijd al vast. Als meisje zei ik, als ze vroegen wat ik wilde worden, `Schrijfster', en dan zei ik erbij: `Dat word ik niet, dat ben ik al'. Ik was dol op taal. Op school was ik extreem veel beter in Nederlands dan in mijn andere vakken. Ik zat in de redactie van de schoolkrant, en had ontdekt dat je als je schreef helemaal van de wereld weg was. Dat had werkelijk iets verslavends. Als kleiner kind had ik dat gevoel ervaren als ik aan tafel zat te tekenen.''

Hoe ontwikkelde u uw literaire en artistieke smaak?

,,Ik heb altijd duidelijke voor- en afkeuren gehad. De behoefte om de weg te worden gewezen mis ik totaal. In de bibliotheek mocht je elke week twee boeken lenen: een verhaal en een boek over iets, paarden of zo. Na de kinderboeken, zo rond mijn twaalfde, ben ik sprookjes uit de hele wereld gaan lezen. Strips heb ik ook altijd verslonden. Later vond ik zelf een pocket van Het proces van Kafka in een winkel. Ik vond het plaatje erop zo mooi. Op school was lezen niet verplicht, dat werd aan je eigen beleefdheid overgelaten. In elke klas waren er een paar eigenaardigen die lazen, vier of vijf. Ik vind dat ook genoeg.

,,Mijn vader was kunsthistoricus, en hij had een enorme collectie plaatjes van West-Europese kunst. Op zondagmiddag klom ik op zijn schoot en mocht ik examen doen, zo noemden we dat. Hij pakte een stapeltje en vroeg: wat is dit, uit welke tijd, wie zou dat gemaakt kunnen hebben? Het leukste was dat hij nooit zijn smaak opdrong. Ik hoefde niks mooi te vinden omdat een ander het mooi vond. Dat is het allerwezenlijkste.''

U hebt schilderijen en boeken gemaakt. Is er verschil in zeggingskracht tussen die twee?

,,Dat is een paradox waar ik al langer mee worstel. Enerzijds lijken beelden het gemoed vaak sterker te beroeren: een documentaire over dierenmishandeling heeft meer kracht dan een tekst erover. Het bekijken van een schilderij kan ook sterke emoties oproepen. Maar het is bijvoorbeeld veel moeilijker om iemand met een schilderij boos te maken dan met een tekst. De verontwaardiging gaat meestal niet verder dan `dat kan mijn broertje ook'. Terwijl bij een op overtuigende wijze vormgegeven mening waar mensen het niet mee eens zijn, de haren vaak gauw overeind staan. Dus misschien werkt een stuk beeldende kunst sneller, maar minder diep. De beeldenstorm ging tenslotte ook over ideeën, niet over hoe de koppen van de engelen geboetseerd waren, of zoiets.

,,Over schilderkunst valt moeilijk te praten. Ik vind het zelf ook niet makkelijk. Ik heb zelden een goed verhaal over beeldende kunst gehoord. Teksten in catalogi vind ik haast altijd kletskoek. Van een schilderij zijn toch de geheimzinnigheid en de decoratieve werking het belangrijkste, lijkt me. Of die nou uit de verfhuid bestaan, of de kleuren, de licht-donker verdeling... Met zaken als `de vinger aan de pols van de tijd' heb ik me nooit beziggehouden. Ik ben altijd m'n eigen smaak achterna gegaan.''

Tentoonstelling `Charlotte Mutsaers. Schilderen en schrijven', 2-9 t/m 29-10 2000 in: Vleeshal, Grote Markt 16, Haarlem. Tel. 023-5115775. Open ma-za 11-17 u, zo 12-17 u. Entree ƒ7,50. Boek: `Fik & Snik. Over Charlotte Mutsaers, schilderes en schrijfster' Uitg. Meulenhoff, ca. ƒ45,-