Het leven verdwenen in denken

Vandaag is het honderd jaar geleden dat Friedrich Nietzsche overleed, de `filosoof met de hamer' die de zekerheden van de westerse cultuur, wetenschap en religie aan diggelen sloeg. Iedereen kent wel een paar kreten van hem, maar wat betekende de `Übermensch' nu precies?

Nietzsche redden – met dat doel benaderde een zekere Julius Langbehn eind oktober 1889 de oude moeder van de kort tevoren waanzinnig geworden filosoof. `Dr. Langbehn', hoewel geen medicus maar een gepromoveerd kunsthistoricus, kreeg van Franziska Nietzsche toestemming dagelijks uit wandelen te gaan met haar zoon, die op dat moment verpleegd werd in een academische kliniek te Jena. Enige tijd ging het goed, Nietzsche leek ingenomen met het bezoek en praatte honderduit. Totdat Langbehn op een keer iets zei dat hem kennelijk niet zinde. Woedend moet Nietzsche de tafel omver hebben gestoten, om daarna schreeuwend de kamer uit te rennen en op de gang de verplegers te roepen. Langbehn gaf zijn reddingspoging niet op, wèl zette hij Franziska onder druk met een paar brutale eisen.

Wilde Nietzsche genezen, dan moest hij onverwijld aan de greep van zijn academische artsen worden onttrokken. `Moordenaars', noemde Langbehn ze. `Het edelste ter wereld wordt door deze ``sjablone-mensen' met voeten getreden'. Hij bood aan de patiënt twee jaar lang onder zijn hoede te nemen, op voorwaarde dat hèm de voogdij werd toevertrouwd, evenals het pensioen (1600 Mark) dat Nietzsche aan zijn professoraat in Basel had overgehouden. Bovendien moest moeder beloven elk contact, schriftelijk of mondeling, met haar zoon te mijden; welkom was zij alleen als Langbehn daar toestemming voor gaf.

Zelfs de wanhopige Franziska ging dat te ver. Langbehns hulp had zij alleen geaccepteerd, omdat hij – vrijwel als enige – nog leek te geloven in de mogelijkheid van genezing. En nu dit. Zij riep de hulp in van Nietzsche's vriend Heinrich Köselitz (Peter Gast), die na kennismaking met de reddende `Doktor' aan het hele gedoe een eind maakte. Niet eens zozeer vanwege Langbehns `botte houding', lezen we in een van zijn brieven, maar `omdat ik hem zeer onbetrouwbaar vond en de stellige indruk kreeg dat er bij hem zelf een steekje los was'.

Waanzin trekt andere waanzin aan, blijkbaar. In hoeverre er bij Langbehn werkelijk een steekje los was, is overigens niet helemaal duidelijk. Toen hij een jaar later Rembrandt als Erzieher publiceerde (de titel herinnert niet toevallig aan Nietzsche's derde `unzeitgemässe Betrachtung' Schopenhauer als Erzieher), voelde het publiek in elk geval geen nattigheid. Het uiterst merkwaardige boek, dat Duitsland onder auspiciën van de Hollander Rembrandt een `wedergeboorte' door de kunst belooft en de joden aanwijst als de belangrijkste bron van het moderne kwaad, werd een geweldige bestseller. Als Langbehn gek was, dan moet hetzelfde hebben gegolden voor het Duitse publiek, dat na 1890 ook aan Nietzsche en diens ideeën – voor het eerst – serieuze aandacht begon te besteden.

Langbehns mislukte reddingspoging is een van de vele episoden die aan bod komen in Friedrich Nietzsche. Chronik in Bildern und Texten, samengesteld door Raymond J. Benders en Stephan Oettermann. Het boek bevat fragmenten uit de brieven van Langbehn, Köselitz en Franziska Nietzsche, zodat de lezer deze wonderlijke geschiedenis heet van de naald kan volgen. Op dezelfde manier, als een veelkleurig mozaïek, passeert het hele leven van Nietzsche de revue, tot en met zijn dood op 25 augustus 1900. Alleen al vanwege de talloze, vaak niet eerder gepubliceerde foto's en afbeeldingen is het een kostelijk geheel geworden, waarmee uren bladerend zijn door te brengen.

Wat alleen ontbreekt, is Nietzsche's werk. Van alles wat hij tijdens zijn leven publiceerde wordt weliswaar nauwgezet verschijningsdatum, oplage, aantal pagina's en prijs vermeld, zelfs recente veilingprijzen ontbreken niet – maar geen woord over de inhoud, afgezien van het weinige dat de geselecteerde tekstfragmenten daarvan weerspiegelen.

Het blijft een beetje vreemd, al valt het wel te verdedigen. Over het werk zijn er zoveel andere boeken. In Nietzsche. Biographie seines Denkens van Rüdiger Safranski, eveneens in dit herdenkingsjaar verschenen, gaat het niet om het leven, maar om het denken van Nietzsche. Dat zijn boek toch met recht een `biografie' kan worden genoemd, komt doordat Nietzsche van het denken een vorm van leven had gemaakt. Gedachten kregen voor hem pas betekenis als ze zich lieten `einverleiben'. Safranski probeert daarom niet het denken uit het leven te verklaren, hij toont eerder hoe het leven is opgegaan in het denken. Een toneelstuk voor één speler maar met talloze rollen – zo komt dit denkende leven of levende denken er bij hem uit te zien.

Safranski zou je een filosofisch verteller kunnen noemen. In een geslaagde mengeling van empathie en distantie tovert hij Nietzsche's waterval van gedachten om tot een meeslepend verhaal. Nooit gaat hij hinderlijk voor zijn onderwerp staan, steeds doet hij een kritisch stapje opzij, zodat je beter ziet wat zich op het toneel afspeelt. Het maakt van zijn boek een voorbeeldige introductie en een geweldige stimulans om Nietzsche te lezen of te herlezen.

In Nederland hebben we daarvoor de fraaie `Nietzsche-Bibliotheek' van De Arbeiderspers, waarin onlangs een nieuwe vertaling is uitgekomen van Die Geburt der Tragödie, Nietzsche's eerste boek uit 1872. Het zou me niet verbazen als in het bijzonder deze fascinerende mix van filologie, esthetica en cultuurkritiek Langbehn naar Nietzsche heeft gedreven.

Van de latere agressie tegen het christendom (een gruwel voor de `Rembrandtdeutsche', die zich in 1900 zou bekeren tot het katholicisme) is nog niets te bespeuren, maar al wel aanwezig is de apodictische, profetische toon, die je ook bij Langbehn – zij het met minder retorisch vernuft – tegemoet dendert. Wát Nietzsche profeteerde, zal hem zo mogelijk nog meer hebben aangesproken, want dat lijkt verdacht veel op zijn eigen boodschap: een `wedergeboorte' van Duitsland door de kunst, nu alleen niet dankzij Rembrandts esthetische pedagogie maar dankzij de terugkeer in Duitse gedaante van de antieke Griekse tragedie.

Van Nietzsche kent iedereen, ook zonder hem gelezen te hebben, wel een paar kreten. De Übermensch, de wil tot macht, de herwaardering van alle waarden, voorbij goed en kwaad, de eeuwige terugkeer – wie ze hoort, denkt meteen, net als bij het zien van een reusachtige snor: Nietzsche! Misschien horen ook het Dionysische en het Apollinische er inmiddels bij, de twee elementaire krachten van de natuur én van de kunst, die volgens hem het wonder van de Griekse tragedie hadden mogelijk gemaakt.

Dankzij het evenwicht van Dionysische `roes' en Apollinische `schijn' konden de Grieken de verschrikkelijke waarheid van het leven verdragen: het eeuwige `worden' waarin creatie en destructie twee zijden zijn van dezelfde medaille. Daarom hoefde hun pessimisme niet te ontaarden in resignatie (zoals dat wèl het geval was bij het pessimisme van Nietzsche's leermeester Schopenhauer), maar kon het juist een bron worden van kracht en levenslust. Een wrede, gruwelijke levenslust, want van de Griekse Humanität, gekoesterd door Winckelmann, Goethe en de klassieke filologie van zijn eigen tijd, laat Nietzsche niet veel heel. De oude Grieken waren volgens hem geen ethische humanisten, maar echte, dat wil zeggen natuurlijke mensen, die het oergeweld van de natuur via hun kunst wisten te beteugelen, zonder het te ontkennen of in zichzelf te onderdrukken.

Zonder kunst geen kracht. Maar de kunst krijgt ook nog een meer filosofische betekenis. Een van de meest raadselachtige zinnen in Die Geburt der Tragödie luidt: `Alleen als esthetisch fenomeen is het bestaan en de wereld voor eeuwig gerechtvaardigd'. Niet alleen de tragedie, het hele bestaan en de hele wereld vat Nietzsche op als een kunstwerk. Esthetiek en metafysica vallen bij hem samen. De wereld en het leven mogen dan zonder hogere `zin' zijn – door beide te interpreteren als een permanente esthetische creatie, verschaft Nietzsche zichzelf wèl een zinvolle visie op de werkelijkheid. Zinvol omdat zij een creativiteit benadrukt, waaraan ook de mens als natuurlijk wezen deelneemt.

Zo kan de kunst worden uitgespeeld tegen de rationalistische wetenschap, die de wereld tracht te rechtvaardigen op grond van haar `begrijpelijkheid'. Waar de kunst het raadsel van het leven intact laat (meer dan er een draaglijke en stimulerende vorm aan geven doet zij immers niet), wordt de wetenschap gedreven door de `waanvoorstelling' dat zij `aan de leiband van de causaliteit kan doordringen tot de diepste afgronden van het Zijn' en dat zij zelfs in staat is dat Zijn te `corrigeren'. Ziedaar de hoogmoed van de `theoretische mens', die volgens Nietzsche in de gedaante van Socrates de Griekse tragedie om zeep had geholpen door het oorspronkelijke pessimisme te verruilen voor een bedrieglijk optimisme.

Zodra Socrates ter sprake komt, laat Nietzsche zijn filologisch masker vallen (hij schreef zijn boek toen hij nog in Basel klassieke talen doceerde) en komt de cultuurcriticus te voorschijn. In de persoon van de Griekse wijsgeer bestrijdt hij immers ook het verlichte Vooruitgangsgeloof en het Duitse Bildungsidealisme van zijn eigen tijd, beide symptomen van wat hij later décadence zou noemen. Wat eraan ontbrak, was de moed om de `Dionysische waarheid' in al haar lustvolle verschrikking onder ogen te zien. Optimisme en idealisme waren in zijn ogen uitingen van zwakheid, funest voor een waarachtige, krachtige beschaving.

Tegelijk met de cultuurcriticus blijkt ook de profeet Nietzsche te zijn opgestaan, die in elk geval voor Duitsland nog hoop aan de horizon ziet gloren. Want de Duitse geschiedenis van de negentiende eeuw begrijpt hij met visionaire blik als een herhaling van de antieke Griekse geschiedenis. Een herhaling in omgekeerde volgorde wel te verstaan: de Grieken gingen van tragedie naar wetenschap, voor de Duitsers van zijn tijd voorzag Nietzsche een gang van wetenschap naar tragedie.

Dankzij Kant en Schopenhauer had de moderne `theoretische mens' mogen ontdekken dat `de logica om haar eigen as draait en zich tenslotte in de staart bijt'. Met als gevolg een terugkeer van het `tragische kennen', dat de kunst nodig heeft om verdragen te kunnen worden. Maar dankzij de Duitse muziek – vooral die van de hevig bewonderde Richard Wagner – was ook de ware kunst weer van de partij. Aangezien de Griekse tragedie ooit was ontstaan uit de `geest van de muziek', zag Nietzsche nu alle reden om een Duitse `wedergeboorte van de tragedie' te voorspellen.

Toch zou de profeet uiteindelijk geen gelijk krijgen, althans niet op de manier die hij in eerste instantie had voorzien. Terwijl de fakkel werd overgenomen door andere, niet zo veeleisende collega's als Julius Langbehn, die hun verlangen naar regeneratie exclusief op Duitsland bleven projecteren, keerde Nietzsche zich van zijn vaderland af. Teleurgesteld in het kleinburgerlijke chauvinisme van de Duitse `filisters' en in de romantische `decadentie' die hij ook in Wagners muziek meende te herkennen, zou hij zich voortaan op het individu richten en niet meer op volk of natie.

De deceptie werkte als een vergrootglas voor het probleem dat in Die Geburt der Tragödie ietwat onderbelicht blijft: waarom was het optimisme van Socrates en zijn rationalistische nakomelingen er ooit in geslaagd het pessimisme van de `Dionysische waarheid' te verdringen? Hoe de decadente levensvijandigheid te verklaren, waarvan bijna alle menselijke waardenstelsels en religies (in het bijzonder het christendom, waarop Nietzsche jarenlang zijn filosofische `hamer' zou loslaten) blijk gaven? In zijn nagelaten notities noemt hij dit probleem zelfs `het eigenlijke raadsel dat het dier ``mens' de filosoof opgeeft'.

Een eerste aanzet tot een oplossing zit al in Die Geburt der Tragödie, wanneer Nietzsche zich verbaast over de extremiteit van Socrates' kritische rationalisme. Het kon haast niet anders, of daar moest een natuurlijk instinct (dat zelf niets rationeels was) aan ten grondslag liggen. Later zal hij spreken over het `ressentiment' van de zwakke meerderheid, wier `slavenmoraal' de sterke minderheid de baas was geworden. Maar onverklaard blijft waarom dat had kunnen gebeuren.

Het antwoord op deze vraag is alleen te geven, als de mens erin zou slagen het raadsel op te lossen dat hijzelf belichaamt. In feite is Nietzsche daar zijn hele denkende leven mee bezig geweest, als een baron van Münchhausen die zich aan zijn eigen haren uit het moeras probeert te trekken. Een even hachelijke als noodzakelijke onderneming, omdat de `dood van God', voor het eerst verkondigd in Die fröhliche Wissen-schaft (1882), elke kans op een bovennatuurlijke oplossing bij voorbaat uitsloot. Het enige wat erop zat was een oplossing te creëren binnen de natuur waaruit de mens zich in rationele hoogmoed of religieuze verblinding dacht te hebben bevrijd, teneinde hem daarin te reïntegreren.

In een andere nagelaten notitie omschrijft Nietzsche zijn `opdracht' dan ook als: `De ontmenselijking van de natuur en dan de vernatuurlijking van de mens, nadat hij het zuivere begrip ``natuur' heeft gewonnen'. In hoeverre het hem is gelukt dat `zuiver begrip' van de natuur te winnen, blijft alleen de vraag. Want of de natuur inderdaad de doel- en zinloze, slechts op groei en verheviging aansturende chaos is die Nietzsche erin zag – wat zou dat méér kunnen zijn dan een nieuwe interpretatie? Het heeft hem er niet van weerhouden zijn uiterste best te doen om de natuur van haar oude antropomorfe, vaak al te rooskleurige interpretaties te verlossen en de mens te `vernatuurlijken' tot een slagveld van tegenstrijdige krachten, driften en willen tot macht.

Zijn ultieme oplossing werd de Übermensch, van wie in Also sprach Zarathustra (1883-1885) jubelend de komst wordt voorspeld. Het lijkt misschien alsof Nietzsche zo de natuur toch nog een loer wist te draaien. Die indruk is echter bedrieglijk. In Die Geburt der Tragödie noemt hij de mens ergens de vleesgeworden `dissonantie'; elders heeft hij het over de mens als `het nog niet vastgestelde dier', dat op de evolutionaire ladder zowel kan stijgen als dalen. Het zijn andere woorden voor het raadsel dat de mens belichaamt, maar de Rätselfreund Nietzsche zag er ook een mogelijkheid in om aan de natuurlijke tendens tot groei en verheviging te beantwoorden. Zijn oplossing was dus minder een pasklaar antwoord dan een taak die diende te worden volbracht. Net als bij Karl Marx mondt bij Nietz-sche de theorie uit in de praktijk.

Dat de mens zichzelf kon `overwinnen' in de Übermensch, kwam doordat hij – als enige onder de `dieren' – beschikte over een bewustzijn van zichzelf en van de natuur. Dankzij deze raadselachtige speelruimte, de enige plek waar de mens zich vrij kon wanen, was hij in staat de natuurlijke creativiteit in eigen hand te nemen. Zonder in de illusie te vervallen ooit tegen de natuur te kunnen ingaan, onderscheidde de Übermensch zich van de overige menselijke `dieren' of `planten', doordat dit inzicht hem geen moment afhield van zijn `voorname' zelfcreatie.

Ogenschijnlijk zijn we ver verwijderd geraakt van Die Geburt der Tragödie. In formeel en stilistisch opzicht klopt dat ook. Nietzsche is in de loop van zijn leven heel anders gaan schrijven. Voor de hechte, niet zelden hermetische betoogtrant van zijn eerste boek is in het merendeel van zijn latere werk een open, fragmentarische, aforistische vorm in de plaats gekomen, die alleen in de tijdens zijn leven nooit gepubliceerde notities van meet af aan acte de présence geeft. Maar is hij zijn debuut ook inhoudelijk ontrouw geworden? Opvallend is eerder de hardnekkigheid waarmee hij zijn oorspronkelijke inzicht in het wezen van de tragedie heeft weten vast te houden, om van daaruit – met zichzelf als exemplarisch `proefkonijn' – al die filosofische `experimenten' te ondernemen, waarvan Rüdiger Safranski in zijn `biografie' van Nietzsche's denken het verhaal vertelt.

Niet alleen sneuvelde daarbij in een vroeg stadium de Deutschtümelei, er is ook nog een tweede belangrijk verschil: in het latere werk hoefde Nietzsche de tragische kunstenaar van de toekomst niet meer in een ander te zoeken – omdat hij hem inmiddels had gevonden in zichzelf. De ooit van Wagners Gesamtkunstwerk verwachte `wedergeboorte van de tragedie' heeft zich in werkelijkheid aan Nietzsche zelf voltrokken. De Dionysische `roes' en de Apollinische `schijn' gaan in zijn denken met elkaar de strijd aan, om in het kunstwerk van zijn oeuvre opnieuw een gespannen evenwicht te bereiken.

Niet als theoretische waarheid of filosofisch systeem, maar als de veelzijdige expressie van een tot het uiterste opgeschroefd geestelijk en lichamelijk leven, dat dankzij de waanzinnige `ontknoping' alsnog de trekken heeft gekregen van een Griekse tragedie.

Raymond J. Benders en Stephan Oettermann (Hrsg.): Friedrich Nietzsche. Chronik in Bildern und Texten. Hanser Verlag (Stiftung Weimarer Klassik)/Deutscher Taschenbuch Verlag, 855 blz. ƒ124,45

Rüdiger Safranski: Nietzsche. Biographie seines Denkens. Hanser, 399 blz. ƒ65,60

Friedrich Nietzsche. De geboorte van de tragedie of Griekse cultuur en pessimisme. Vertaald, geannoteerd en van een nawoord voorzien door Hans Driessen. De Arbeiderspers, 161 blz. ƒ34,95

    • Arnold Heumakers