Helden hoeven geen heilstaat

De vraag is waarom de Verenigde Staten niet socialistisch zijn geworden. Men kan ook vragen waarom het buskruit niet in Nederland is uitgevonden of waarom de hottenhotten Zweden niet hebben gekoloniseerd. Maar zoals de vader van de geschiedschrijving Herodotos al zei: `Weinig dingen gebeuren op het juiste tijdstip en de rest gebeurt helemaal niet; de gewetensvolle geschiedschrijver verbetert deze fouten.'

In dit geval gaat het om iets dat volgens Karl Marx en diens, Europese zowel als Amerikaanse, volgelingen noodzakelijk had moeten gebeuren. `Amerika toont ons onze toekomst', zei de marxist Kautsky in 1902, verwijzend naar de razendsnelle ontwikkeling van de kapitalistische industrie, en in 1907 voorspelde de leider van de toen al omvangrijke en machtige Duitse sociaaldemocratische partij, August Bebel, dat `de Amerikanen als eersten een socialistische republiek zullen vestigen'.

Daarvan hebben de Amerikanen afgezien. Sterker, er is in de Verenigde Staten, in tegenstelling tot in andere industrieel ontwikkelde democratische landen, zelfs nooit een landelijk invloedrijke socialistische, sociaal-democratische of communistische arbeiderspartij van de grond gekomen. Over deze niet-gebeurtenis handelt It didn't happen here van de politicologen Seymour Lipset en Gary Marks.

Wim Kok

Het boek verschijnt op een merkwaardig moment, uitgerekend nu de kwestie waarover honderden historici, politicologen, sociologen en linkse ideologen zich een eeuw lang het hoofd hebben gebroken, elke relevantie lijkt te hebben verloren. Alsnog ziet links in Europa immers de woorden van Kautsky bewaarheid worden: Amerika heeft de socialistische arbeiderspartijen inderdaad hun toekomst getoond, zij het een andere dan de Europese socialisten van weleer dachten. Hun erfgenamen, onder wie Wim Kok, zouden zich tegenwoordig aardig thuis voelen in de Democratic Party.

Lipset en Marks zien dat enigszins anders. Zij zijn aanhangers van het `exceptionalisme', een door Alexis de Tocqueville circa 1830 gemunte term om aan te geven dat Amerika uniek is, tot in zijn diepste wezen verschillend van de traditionele en standsbewuste samenlevingen van de Oude Wereld en andere Engelstalige landen. De twee auteurs grijpen de aloude discussie over het falen van de Amerikaanse socialisten aan voor een elegante vergelijkende studie. De cultuur en de politieke instellingen in de VS, afgezet tegen die in West-Europa, Canada en Australië, maakten volgens hen het ontstaan van een levensvatbare arbeiderspartij ten enen male onmogelijk.

`Amerikanisme' is op zichzelf een `isme', een ideologie. Daar horen bijvoorbeeld een protestants moralisme en sektarisme bij. Niet toevallig dus, dat de relatief schaarse Amerikaanse socialisten en communisten altijd zulke dogmatische, onverzoenlijke en rigide radicalen zijn geweest. Maar de oorzaak van hun onmacht ligt dieper.

Voor het onstaan van een invloedrijke arbeiderspartij is een enigszins homogeen proletariaat nodig. In de VS ontleenden de arbeiders hun identiteit niet aan hun klasse, maar aan etnische groep en religie. Zij bleven opgedeeld in exclusieve gemeenschappen met aparte woonbuurten en organisaties. Op de zwarte onderklasse, voor de blanke arbeiders een andere mensensoort, kreeg het socialisme nooit vat; evenmin op de katholieke immigranten uit industrieel onontwikkelde landen als Ierland en Italië.

Het Amerikaanse zelfbeeld is egalitair en individualistisch, doordrenkt van waardering voor zelfredzaamheid en afkeer van overheidsbemoeienis – hoezeer men in werkelijkheid ook afhankelijk was van de federale overheid, zoals bij de kolonisatie van het Westen en de inrichting van de welvaartsstaat. Zo'n zelfbeeld is geen vruchtbare voedingsbodem voor welke variant van socialisme dan ook. Weliswaar is klassenstrijd in de vorm van stakingen, uitsluitingen en geweld in de VS misschien nog scherper gevoerd dan elders, maar altijd bleef deze beperkt tot fabrieken en bedrijfstakken. De belangrijkste sociale tegenstellingen waren niet die tussen arbeid en kapitaal. De breuken in de Amerikaanse samenleving lopen vanouds langs raciale en etnische lijnen.

Er zijn nog meer wezenlijke verschillen. In Europa moesten arbeiderspartijen het algemeen kiesrecht veroveren, in Amerika kregen alle blanke mannen, ongeacht hun sociale status, het kiesrecht cadeau. Terwijl in Europa de opbouw van arbeiderspartijen hand in hand ging met die van de vakbeweging, stonden in de VS socialisten en vakbonden vijandig tegenover elkaar. De American Federation of Labor moest tot in de jaren dertig niets hebben van sociale wetgeving en verwachtte geen enkel heil van de overheid. De traditionele handwerkersbonden waren voornamelijk beducht voor de concurrentie van zwarten en nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Van hun kant wezen de meeste socialisten een politiek gericht op geleidelijke lotsverbetering van de arbeiders af.

Ook daarom ging de politieke voorkeur van de armen en de elkaar opvolgende groepen immigraten doorgaans uit naar de Democratische Partij. Die beschikte, lang voordat er socialisten ten tonele verschenen, in de steden over professionele apparaten voor dienstverlening en belangenbehartiging in ruil voor stemmen. De meeste socialistische leiders en hun aanhang waren zelf ook immigranten, wat hun tegenstanders kans gaf ze aan te vallen als een on-Amerikaans importverschijnsel. Aanhang vond het socialisme wel onder de Duitse en de joodse bevolkingsgroepen. Waar deze dominant waren, boekten sociaal-democraten soms electorale overwinningen op stedelijk niveau en in sommige staten (Minnesota, New York, Wisconsin). In het Huis van Afgevaardigden hebben welgeteld twee socialisten gezeten.

Derde partijen

Lipset en Marks ontkrachten enkele traditionele verklaringen van het geringe succes van links in de VS. Bijvoorbeeld de gedachte dat het kiesstelsel (`winner takes all') slechts de twee gevestigde partijen een kans geeft. Zie de Britse Labour Party. Nu kende Groot-Brittannië natuurlijk geen presidentieel en federaal systeem. Een dergelijk systeem maakt de opkomst van een nieuwe partij moeilijker. Toch hebben op het niveau van de staten `derde partijen' in de VS herhaaldelijk successen behaald die de socialisten ontzegd bleven. Landelijk scoorden populisten soms ook nog twintig procent, de socialisten bereikten hun zenith in 1912 met zes procent van de stemmen.

Een vaak gehoorde verklaring voor het falen van de Amerikaanse socialisten is de scherpe repressie waaraan links in de VS heeft blootgestaan, maar daar willen Lipset en Marks terecht niet aan. Het is waar dat ondernemers, politie en FBI de socialisten en later de communisten keihard aanpakten. De `red scare' na de Eerste Wereldoorlog en de heksenjacht van McCarthy na de Tweede, sloegen wonden in de Amerikaanse democratie. Maar elders groeiden linkse partijen tegen de repressie in, zoals in het Duitsland van Bismarck.

Lipset en Marks erkennen een uitzondering op het exceptionalisme. Tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig dreigden Europese toestanden. Voor één keer stond de Amerikaanse arbeidersklasse in haar geheel tegenover het kapitaal. Nieuwe industriële vakbonden, verenigd in het Congress of Industrial Organizations, werkten met socialisten en communisten samen. Zij keerden zich tegen etnische uitsluiting. Overheidsingrijpen in de economie en sociale wetgeving waren niet langer taboe. De communistische partij groeide tot negentigduizend leden. Als zelfstandige politieke factor werd radicaal links echter door de flexibele Democraten geneutraliseerd. Roosevelt lijfde het in als hulpkracht voor zijn New Deal.

Zoals Amerikaans links in de jaren dertig `europeaniseerde', lijkt Europees links nu geamerikaniseerd. De sociaal-democratische partijen en, waar ze nog bestaan de communistische, hebben hun ideologische veren afgeschud en de markteconomie omarmd. Ze nemen deel aan coalities die sterk aan de Democraten in de VS doen denken. En ze moeten werven onder etnische minderheden. Luidt dit het einde van het Amerikaanse exceptionalisme in?

Seymour Martin Lipset en Gary Marks: It didn't happen here. Why socialism failed in the United States. W.W. Norton, 379 blz. ƒ79,40

Amerika

    • Gijs Schreuders