Gevoel doorslaggevend bij presidentsrace

Achter eenvoudige percentages die aangeven welke kandidaat voorop ligt in de Amerikaanse presidentsrace, leggen opinieonderzoekers een bont landschap bloot van onderliggende gevoelens en verwachtingen.

Eén van de vuistregels van de Amerikaanse presidentsverkiezingen is dat de kandidaat die in verband kan worden gebracht met een economische hoogconjunctuur al bijna heeft gewonnen. Vandaar dat vice-predident Al Gore daar op dit moment in zijn verkiezingstoespraken voortdurend op hamert: wilt u dat het goed blijft gaan met Amerika, stem op mij.

Zo bezien lijken de verkiezingen een gelopen race. Maar de Amerikaanse opinie-onderzoeker Peter D. Hart heeft slecht nieuws voor Gore en zijn team. Tijdens een video-conferentie in de Amerikaanse ambassade in Den Haag deze week betoogde Hart vanuit Washington dat het een vergissing zou zijn de komende verkiezingen op 7 november te beschouwen als een referendum over de economie. Ofwel: de standaarduitdrukking voor het belang van de economie bij verkiezingen ,,It`s the economy, stupid'' moet worden herzien: ,,Het is níet de economie, dommie.''

Hart, die voor NBC-Wall Street Journal de mening peilt van de Amerikaanse kiezers, wees erop dat hoewel een ruime meerderheid van de kiezers tevreden is over de bloeiende economie, niettemin ruim een derde van de ondervraagden vindt dat het land als geheel op het verkeerde spoor zit. Verandering hangt in de lucht. En dat is het gevoel dat de Republikeinse campagne probeert aan te wakkeren door in te spelen op de `Clinton-moeheid'.

Een kleine meerderheid van 47 tegen 46 procent van de stemgerechtigde Amerikanen vindt dat het na acht jaar Clinton-Gore tijd is voor een nieuwe wind. Maar onder zwevende kiezers is dat gevoel nog sterker: 49 procent wil verandering tegen 37 procent van de ondervraagden die door willen gaan met Gore eenvoudig omdat de economie sterk is en het land niet betrokken is bij een oorlog. En de campagne is met name gericht op de stemmen van die zwevende of onafhankelijke kiezers.

Hart onderzocht de reactie van de mensen die keken naar de toespraken van de presidentskandidaten op hun partijconventies eerder deze maand. Daaruit blijkt dat Gore meer in de smaak viel bij de zwevende kiezers dan Bush. De rede van de Republikeinse kandidaat bevatte veel meer kritiek op de politieke opponent dan die van Gore en dat is juist een element dat de groep van onafhankelijken een gevoel van afkeer bezorgt. Zij beschouwen de gebruikelijke aanvallen over en weer van campagnevoerende kandidaten als ,,partijpolitiek gekonkel''. Vandaar ook dat beide kandidaten met enige regelmaat bezweren dat zij voorstander zijn van een meer ,,verheven toonzetting''van de campagne.

Opvallend resultaat van dit zogeheten instant viewer response- onderzoek, waarbij een groep kijkers via de computer de toespraken volgde en met de muis hun waardering konden aangeven, is ook dat de waarderingen voor Gore bij diens eigen achterban over het geheel genomen lager waren dan die voor Bush. Dat kan te maken hebben met de staccato-stijl waarop Gore zijn rede uitsprak, of met de bijna spreekwoordelijke interne verdeeldheid van de Democratische Partij.

De indruk bestaat dat Gore met zijn toespraak niettemin een omslag heeft bereikt in de manier waarop mensen tegen hem aankijken. Hart, die al sinds het begin van de jaren zeventig in het vak zit, heeft de afgelopen jaren ook de gevoelens, negatief of positief, gepeild die Gore bij het publiek oproept. Door het percentage kiezers bij wie Gore negatieve gevoelens oproept af te trekken van het percentage dat zegt positief te reageren op de Democraat, creëert Hart een zogenoemde ,,gevoelsthermometer'' en daaruit blijkt dat de vice-president in 1993 begon op 25 procent waarna hij jaarlijks gestaag afzakte. Het dieptepunt bereikte Gore in april dit jaar met -1 procent. Gore's toespraak en zeker zijn `nieuwe gedrag', veel rennen, lachen en niet te vergeten de hevige kus die hij zijn vrouw `Tipper' toediende op de Conventie, hebben ervoor gezorgd dat Gore nu weer op 17 procent staat. Het vervelende is alleen dat Bush meer positieve gevoelens oproept dan Gore: hij staat gemiddeld op een score van ongeveer 20 procent.

Maar als het gaat om inhoudelijke kwaliteiten scoort Gore weer beter. Kiezers vinden dat Gore meer dan Bush beschikt over inlevingsvermogen om doorsnee mensen te begrijpen. Opmerkelijk is hierbij dat Bush nu wat dit betreft lager scoort dan in juli, terwijl één van de kernpunten van zijn conventietoespraak juist was de kijkers ervan te overtuigen dat hij een nieuw, invoelend, soort conservatisme voorstaat, het compassionate conservatism. Daarin is Bush dus nog niet geslaagd.

Maar kijkers vinden ook dat Gore de beste plannen heeft voor de toekomst en betrouwbaarder is dan Bush als het erop aankomt om juiste besluiten te nemen. dat zijn twee punten waarop de vice-president sinds juli zijn politieke concurrent is gepasseerd. Gore kampt echter nog steeds met het odium dat vice-presidenten altijd aankleeft: door de passieve aard van hun functie worden zij zelden beschouwt als typische leidersfiguren. Ook uit Harts onderzoek blijkt dat de kiezers vinden dat hij minder dat Bush beschikt over voldoende sterke leiderschapskwaliteiten. Daar staat tegenover dat het aantal mensen die Gore wél beschouwen een sterke leider groeiende is (35 procent tegen 26 procent in juli), terwijl het geloof in Bush wat dit betreft afneemt. (46 procent in juli tegen nu 42 procent).

    • Frank Vermeulen