Er is nu wel genoeg gewerkt

Rotterdam, de stad `waar de geldduivel alle jongens de handel in dreef', probeert sinds dertig jaar ook een cultuurstad te zijn. Twee omvangrijke werken stellen het verleden te boek van de stad waar overhemden alleen worden verkocht met opgestroopte mouwen.

In 1969 publiceerden drie Rotterdamse gemeentelijke diensten het Plan 2000plus. Dat plan toonde hoe havens en industrie na 2000 grote delen van Zuidwest-Nederland en België in beslag zouden nemen. Vrijwel de gehele Hoeksche Waard en Voorne-Putten zouden zijn opgeofferd aan havens en industrie. Voor de kust van Voorne strekte zich een gigantische Maasvlakte uit. Er waren maar liefst twee grote luchthavens voorzien. Voor de mensen die in dit reusachtige haven- en industriecomplex zouden werken, hadden de Rotterdamse plannenmakers een nieuwe stad in gedachten: Grevelingenstad op Goeree-Overflakkee, met een half miljoen inwoners.

Deze megalomane blauwdruk voor de 21ste eeuw was de laatste stuiptrekking van de ideologie van de `grote werkstad' Rotterdam, dat zich al in 1962, zeventien jaar na het einde van de oorlog, erop beroemen kon de grootste haven van de wereld te zijn. Plan 2000plus stuitte op hevige kritiek. Na een kwart eeuw wederopbouw, en de enorme expansie van havens en industrie en de daarmee gepaard gaande smog en stank, hadden de Rotterdammers er genoeg van. De politieke elite, die in 1970 voor het eerst met ludiek en hard bewonersprotest had kennisgemaakt, begreep eindelijk dat een stad meer moest zijn dan een haven. Nieuwe industrie was niet langer welkom.

De stad van `geen woorden, maar daden', probeert zich sinds de jaren zeventig te ontwikkelen tot een cultuurstad, waar de inwoners ook andere muziek kunnen horen dan die van heipalen. `Aan het eind van de twintigste eeuw is nog steeds niet duidelijk in welke fase Rotterdam zich bevindt', concludeert historicus Paul van der Laar in Stad van formaat. De geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw. Hij heeft zijn twijfels over de wijze waarop het Rotterdamse cultuurdebat wordt gevoerd. Van der Laar verwijst naar de journalist W.A. Wagener die in 1948 in een lezing over kunstzinnig leven in Rotterdam zijn gehoor voorhield wat een cultuurstad in elk geval niet was. De cultuur is geen zondagse jas `die men uit kan trekken en aan een spijker te kijk kan hangen'.

Nostalgie

De typering van het Rotterdamse cultuurdebat is een voorbeeld van de vaak verrassende historische constanten die Van der Laar toont in zijn beschrijving van de historie van Rotterdam sinds 1813. Zijn Stad van formaat is het vervolg op Stad in aanwas, het eerste deel van de Rotterdamse stadsgeschiedenis dat zijn collega van het Gemeentearchief Arie van der Schoor eerder publiceerde. Het met honderden afbeeldingen en kaarten geïllustreerde en van een uitgebreid notenregister voorziene tweeluik kwam tot stand in opdracht van de gemeenteraad. Die had in 1992 vastgesteld dat gezien de vele deelstudie en fotoboeken behoefte bestond aan een gedegen en toegankelijk overzicht. Al die boeken komen tegemoet aan een blijkbaar onverzadigbare nostalgie bij de bewoners van de stad die in de oorlog haar hart verloor – ook al was dat het hart van de `lelijkste stad van Nederland'.

Het bombardement van 14 mei 1940 dat het stadscentrum vernietigde en 80.000 Rotterdammers dakloos maakte, is evenmin als de Eerste Wereldoorlog de cesuur die generaties Rotterdammers erin zien, zo betoogt Van der Laar. De stad die zichzelf met veel propaganda een modernistisch imago verschafte, liet zich na de oorlog nog lang leiden door negentiende-eeuwse deugden als vlijt, eenvoud en werklust. Rotterdam was de `grote werkstad', zoals de socioloog Bouman die beschreef, waar overhemden met opgerolde mouwen worden verkocht.

Ook bij de beschrijving van de stedebouwkundige ontwikkeling plaatst Van der Laar soms verrassende kanttekeningen. Zo bedacht W.G. Witteveen, directeur van de dienst Stadsontwikkeling, al in 1933 een verbinding tussen de oude stad en `Zuid', die er pas in de jaren negentig zou komen: de Erasmusbrug. `Niet Riek Bakker, de stedebouwkundige die Rotterdam in de jaren tachtig van de twintigste eeuw naar de Kop van Zuid voerde, maar Witteveen legde de stedebouwkundige basis voor de ontwikkeling van Zuid', aldus Van der Laan.

Ook over de ontwikkeling van de haven en de daarmee gepaard gaande groei van de bevolking geeft Van der Laar nieuwe inzichten. Nog in 1850, toen Rotterdam nog maar 90.000 inwoners telde, prezen bezoekers het monumentale rivierfront met de Boompjes. De `koopstad' die in Stad in aanwas wordt beschreven, groeide na 1880 onder invloed van de industriële revolutie en het transitoverkeer uit tot de belangrijkste haven van het Europese continent. In 1900 telt Rotterdam 300.000 inwoners, van wie het grootste deel huisde in treurige speculatiebouw. De expansieve groei van de stadsbevolking is weliswaar in Nederland opvallend, maar niet bijzonder in vergelijking tot die in andere grote Europese havens, meent Van der Laar. Voor het Rotterdamse geloof dat Brabanders, Zeeuwen en inwoners van de Zuid-Hollandse eilanden bij voorkeur naar Rotterdam Zuid (`de boerenzij') trokken, vond hij geen overtuigende aanwijzingen. `Rotterdam migrantenstad geeft zijn geheimen niet makkelijk prijs.'

Blijdorp

Met de charme van de oude koopstad was het toen al lang gedaan. De Rotterdamse journalist Henri Dekking verwoordde in 1900 hoe men elders in Nederland over Rotterdam dacht: `Als een brutale parvenu, groot gaande op zijn dommen bof' en `een stad in neigingen en opvattingen hinderlijk materialistisch, levend in zaken-doen, haar heel bestaan een orgie van geldverdienen.' Voor de overgang van koopmansstad naar Europese doorvoerhaven was het niet zoveel beter, maar Rotterdam had tenminste een kleine elite van vermogende kooplieden die graag de mecenas speelden. Zij waren de drijvende krachten achter de oprichting van musea (zoals Boymans in 1849), een schouwburg, de Hoogduitsche opera en de Diergaarde Blijdorp, overigens vooral omdat Rotterdam cultureel niet wilde onderdoen voor de hoofdstad. Maar vaker was zuinigheid troef. Dirk Vis Blokhuyzen, een vertegenwoordiger van de generatie voor wie `het bezit van vermogen een plicht was tot het aanleggen van een kunstverzameling', liet na zijn overlijden in 1869 een grote collectie na die de stad kon kopen voor 50.000 gulden, ver onder de geschatte waarde. Het college van B & W vond dat te duur. Driehonderd rijke Rotterdammers brachten 28.000 gulden bijeen, maar de aflossing van de resterende 22.000 gulden (1000 per jaar gedurende 25 jaar) was de gemeenteraad te veel. De collectie Blokhuyzen, met portretten van Rembrandt en Frans Hals en `De Kantwerkster' van Vermeer (nu in het Louvre), verdween.

Anekdotes en trefzekere details maken Van der Laars boek zeer leesbaar. Behalve de expansie van de haven, de stad en haar bevolking en de stedebouwkundige ontwikkeling onderwerp van de meeste publicaties over Rotterdam besteedt hij aandacht aan de tal van andere relevante aspecten van de Rotterdamse stadsgeschiedenis, zoals onderwijs, volkswoningbouw, het kerkelijk leven, het bescheiden literaire leven of het moeilijke bestaan van Rotterdamse beeldende kunstenaars, van wie velen de stad ontvluchtten.

Ook de sport komt aan de orde, vooral voetbal dat na 1945 met de bioscoop de belangrijkste vrijetijdsbesteding van `de lagere klassen' vormde, zoals de bij de brave burgers beruchte kermis een halve eeuw eerder. In 1950 was één op de elf jongens en mannen in Rotterdam bij een voetbalclub aangesloten. Dat Coen Moulijn, Feyenoords beroemdste linksbuiten, die bij Xerxes begon, ooit had gezworen dat hij nooit naar de Kuip zou gaan om `voor die boeren van Zuid' te spelen, is zo'n detail dat Stad van Formaat zo leesbaar maakt. Dat betekent niet dat elk onderwerp volledig tot zijn recht komt. Andere sporten dan voetbal worden niet vermeld. Niettemin waren baanwielrennen en boksen lange tijd zeer populair. De legendarische Bep van Klaveren kreeg zelfs een standbeeld, een eer die geen andere Rotterdamse sportheld ten deel viel.

Erasmus

Minder lichtvoetig, maar even degelijk behandelt Arie van der Schoor de oudere Rotterdamse geschiedenis, van prehistorie tot het eind van de Franse tijd. Ook in Stad in aanwas komen enkele constanten in de Rotterdamse historie aan de orde, zoals de concurrentie met Amsterdam. Die begon in de zeventiende eeuw, toen Rotterdam van een stadje van 16.000 inwoners in 1600 in vijftig jaar was uitgegroeid tot een koopmanscentrum en tweede stad van het land met 30.000 inwoners. Dat was te danken aan de komst van de migranten uit de zuidelijke Nederlanden die het Spaanse gezag ontvluchttten, veelal kooplui die talent en kapitaal meebrachten. Maar ook in de Gouden Eeuw had de stad al zijn bekende keerzijde. De gevluchte Franse filosoof Pierre Bayle, die tot zijn dood in Rotterdam bleef wonen, stelde vast dat de stedelijke elite maar weinig belangstelling had voor wetenschap en cultuur en dat de belangstelling voor onderwijs gering was omdat `de geldduivel alle jongeren de handel in dreef'.

Met de beroemdste Rotterdammer aller tijden, Erasmus, ging het niet veel beter. Er zijn vanaf 1549 weliswaar vijf standbeelden voor hem opgericht, in de tweede helft van de zeventiende eeuw was sprake van een Erasmusreveil, en in de moderne tijd zijn een brug en een universiteit naar hem genoemd. De invloed van Erasmus is zelfs aangevoerd als verklaring voor het doorgaans tolerante geestelijke klimaat in Rotterdam. Maar dat is ten onrechte, aldus Van der Schoor. Zijn bronzen beeld, gemaakt door Hendrick de Keyser, werd tijdens dat `reveil' op een nieuwe sokkel geplaatst, met daarin een lofdicht gebeiteld. De naam van de dichter, Oudaen, werd echter al spoedig `doldriftig uitgekrasd' aldus een anoniem hekeldicht. Dit vandalisme kreeg drie jaar geleden een vervolg: het beeld, het eerste in Europa voor een `burger', werd door onbekenden van zijn sokkel getrokken.

A. van der Schoor: Stad in aanwas. Geschiedenis van Rotterdam tot 1813. Waanders, 416 blz. ƒ79,50

P. van Laar: Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw. Waanders, 624 blz. ƒ79,50

Handel

    • Jan Gerritsen