Een schrale troost

Begin oktober wordt de eerste Nobelprijs voor literatuur van de nieuwe eeuw uitgereikt. Onder de eerdere winnaars zijn vele beroemdheden, maar ook schrijvers die bijna geheel vergeten zijn. Als opmaat voor de 93ste Nobelprijs haalt het CS de komende weken zes laureaten uit de afgelopen veertig jaar uit het vergeetboek. Vandaag deel 1 over Saint-John Perse.

Toen de dichter Alexis Leger, beter bekend onder zijn exotisch aandoende schrijversnaam Saint-John Perse, in 1960 de Nobelprijs voor literatuur ontving, was dat eigenlijk maar een schrale troost.

Een jaar eerder was er, nadat een van de belangrijkste Franse dichters van de twintigste eeuw in 1957 voor het eerst sinds 1940 weer voet op Franse bodem had gezet, sprake van geweest dat Saint-John Perse, zoals ook passend leek, lid van de Académie française zou worden, het prestigieuze gezelschap dat waakt over Franse taal en letterkunde. Maar Generaal De Gaulle, de Franse president die vanuit Londen na 1940 het verzet tegen de Duitse bezetting had geleid en nu was teruggekeerd aan het hoofd van de Franse staat om het land uit de Algerijnse oorlog te voeren, verzette zich heftig, en effectief, tegen de opname van Saint-John Perse in de Académie.

Toch was Alexis Leger, diplomaat en dichter, geenszins fout geweest tijdens de Duitse bezetting. Integendeel: hij had, na in 1940 bij de Duitse inval als diplomaat ontslagen te zijn, de ballingschap gekozen, eerst in Engeland en later in de Verenigde Staten en zich steeds ondubbelzinnig tegen het collaborateursbewind in Vichy uitgesproken. Wat De Gaulle, ook na zijn triomfantelijke intocht als leider der vrije Fransen in Parijs in 1944, Leger echter niet vergeven kon, was dat deze voormalige diplomaat in de oorlogsjaren luid zijn afkeer van de generaal te kennen had gegeven: De Gaulle was een militair, meende Leger, en had zich niet als politicus te gedragen.

De dichter-diplomaat gaf er de voorkeur aan ook na de oorlog te blijven wonen in Washington, in zijn levensonderhoud voorziend als litterair consulent voor Franse zaken bij de Library of Congres. Na 1957 bracht hij, in alle discretie, steeds enkele maanden per jaar door in een chique voorstad van Marseille. Zijn reputatie als dichter was onomstreden, maar appreciatie van staatswege bleef achterwege. De uitreiking van de Nobelprijs in Stockholm moest het zonder een vertegenwoordiger van de Franse staat stellen. Slechts De Gaulle's minister van cultuur, de schrijver André Malraux, zond een felicitatie-telegram, à titre personel.

Als Alexis Leger over die gang van zaken gegriefd geweest is, dan heeft hij dat perfect verborgen weten te houden. Geen woord is erover te vinden in de nochtans met veel ego-documenten opgeluisterde Oeuvres complètes in de Pléiade, de prestigieuze reeks die fungeert als pantheon der Franse letteren. Ook zijn dankrede in Stockholm, voor de helft bestaande uit een lofzang op de natuurkundige Albert Einstein, ontbreekt daar trouwens.

Saint-John Perse was, in 1972, de eerste auteur die nog levend in de Pléiade werd opgenomen. Hij mocht zelf zijn deel redigeren, inclusief de biografie, de keuze uit de brieven en de bibliografie. De manier waarop hij dat deed, heeft al tot veel geleerde studies aanleiding gegeven: hij herschreef talloze gedichten en liet andere weg – daarmee een originele inhoud gevend aan het begrip `verzameld werk'.

Ook de ruime keuze uit zijn brieven in deze band, die mede ten doel lijkt te hebben aan te geven hoezeer Saint-John Perse op familiaire toon omging met literaire grootheden, blinkt niet uit door historische betrouwbaarheid. Sommige blijken achteraf, voor de Pléiade, geschreven, zoals een in 1921 gedateerd epistel aan Joseph Conrad, of zijn tenminste sterk bewerkt.

Mystificaties

In de biografie wemelt het van omissies en mystificaties. Zo wil de dichter, geboren op het Franse eiland Guadeloupe in de Antillen (in 1911 verhuisde hij met zijn ouders naar het moederland) ons doen geloven dat de Legers al eeuwenlang een vooraanstaande familie van béké's (blanke grondbezitters) vormden op de Antillen, terwijl het in werkelijkheid om beambten ging. Dat hij vóór de Tweede Wereldoorlog een vooraanstaand Frans diplomaat was, is echter geenszins gelogen. Na zijn terugkeer van de Franse ambassade in Peking, in 1924, is er tot 1940 nauwelijks meer door Frankrijk een verdrag van betekenis afgesloten zonder dat Alexis Leger er de hand in had gehad. Het Sovjet-Franse pact van 1935, bedoeld als een rem op de expansie van Nazi-Duitsland, was zelfs helemaal zijn werk.

De opmerking van de Zweedse academie, dat de poëzie van Saint-John Perse, zij het op `visionaire wijze', `zijn tijd weerspiegelt', wekt enige bevreemding. Want er is nauwelijks een onhechter, abstracter poëzie denkbaar dan de doorgaans kloeke prozaverzen van Saint-John Perse, boordevol enigmatische verbanden tussen natuurverschijnselen en mythologie van velerlei herkomst. Er is ook nauwelijks stijlverschil tussen de verzen van vóór 1927 en ná 1941 – in de tussenliggende jaren van zijn carrière op het Ministerie van buitenlandse zaken is niets van zijn hand gepubliceerd.

De sterk door het symbolisme beïnvloede dichter Saint-John Perse, die het gebruik van archaïsmen geenszins schuwt, lijkt voortdurend vervuld van gevoel voor de grootsheid van het bestaan en de kosmos. Zijn werk doet nog het meest denken aan dat van Paul Claudel (1868-1955), maar dan zonder de katholieke preoccupaties die diens werk kenmerken. God komt niet voor bij Saint-John Perse.

Hoewel in Frankrijk niet vergeten en een vast nummer in elke bloemlezing van de Franse dichtkunst, is Saint-John Perse onder de Franse Nobelprijswinnaars voor literatuur onmiskenbaar een der meer obscure. Maar dat hangt er ook mee samen dat hij uitsluitend een dichter was, en in de openbaarheid elk politiek engagement heeft geschuwd. Romanschrijvers en filosofen drukken, in de moderne tijd, misschien wat makkelijker hun stempel op de tijd en stellen daarmee hun plaats in de geschiedenisboekjes veilig. Zijn aan hovaardij grenzende eigenzinnigheid maakt Alexis Leger/ Saint-John Perse, wat mij betreft, eigenlijk wel sympathiek.

    • Raymond van den Boogaard