Een bitterzoete idylle aan zee

Erri De Luca moet een avontuurlijk man zijn. Naar geboorte niet geheel van de straat, werd hij vrachtwagenchauffeur en metselaar, begon hij boeken te schrijven, bestuurde hij tijdens de Joegoslavische burgeroorlog een vrachtwagen van een humanitaire organisatie, werd journalist en schreef nog meer boeken, uitmondend in Jij, de mijne, waarmee hij internationaal doorbrak. Van al die avontuurlijkheid is in deze korte intimistische roman (bijna een novelle) niet veel te merken. Het verhaal speelt zich af in het midden van de jaren vijftig, op en rond het eiland Ischia, vlak voor Napels, waar een zestienjarige jongen de zomer doorbrengt. Hij trekt op met de vissers, die hem de geheimen van de zee onthullen, en wordt verliefd op een Roemeens meisje, dat als joodse haar ouders in de oorlog verloren heeft. Wanneer een groep Duitse toeristen een nazilied aanheft, komt het tot een schermutseling, waarna de jongen – de Roemeense is inmiddels vertrokken – hun pension in brand steekt.

Dat einde komt als een gewelddadige climax na een boek waarin de poëtische en bespiegelende toon overheerst. De Luca weet met weinig woorden de sensualiteit op te roepen van de binnen- en de buitenwereld waarin hij zijn hoofdpersoon plaatst. De buitenwereld is die van de zomer, het strand en het zout in de wondjes op de vissershanden; de binnenwereld de ontluikende verliefdheid voor het meisje Caia en het bijzondere geheim van haar afkomst. Zo vindt er een dubbele rite de passage plaats, waarin de hoofdpersoon van jongen man wordt. Hij wordt ingewijd in de wereld van de zee en leert lichamelijke pijn stoïcijns te verdragen. En hij krijgt toegang tot de liefde, die haar eigen pijn kent: de herinnering van Caia aan haar verdwenen vader, met wie de hoofdpersoon zoveel trekken gemeen heeft dat hij bijna diens plaats kan innemen.

Aan het eind van die wordingsgeschiedenis komt het vuur dat het Duitse pension verwoest als een zuivering die de verschrikkingen van de Endlösung weliswaar niet wegneemt, maar daarvoor wel genoegdoening verschaft. Voor de jongen, van kinds af aan geobsedeerd door de geschiedenis van de oorlog waarover niemand praten wil, komt daarmee de toekomst open te liggen. Zo zuivert het brandoffer ook hem. Maar er kleeft iets unheimichs aan deze simpele omkering van de `holocaust' (letterlijk: brandoffer), waarin de hoofdpersoon zich over de mogelijk onschuldige slachtoffers van zijn daad geen zorgen maakt.

Er is in dit boek dus meer aan de hand dan wij te horen krijgen in het verhaal dat de jongen in de eerste persoon over zichzelf vertelt. In een gesprek dat hij tegen het einde van het boek met zijn vader heeft, geeft hij zich ongewild bloot. `Bikkelhard' noemt hij zijn houding van morele superioriteit tegenover de zwakheid van de vader, die tijdens de oorlog geen held was en daarover maar liever zweeg. En even hard steekt zijn onverzettelijkheid af tegen de gelatenheid van de visser Nicola, die als soldaat in Joegoslavië zag hoe de Duitsers huishielden en daaraan een hekel aan de Duitse taal overhield, maar niet aan individuele Duiters. En met de evenwichtigheid van zijn oom (tegelijk zijn naamgenoot en ideaalbeeld), voor wie haat uit politieke motieven iets onbegrijpelijks is.

`Kun je me ook vertellen waarom je zoveel belangstelling hebt voor de oorlog?' vraagt zijn oom direct daarna. De jongen antwoordt alleen in gedachten: `Omdat die geschiedenis de enige was waarover ik iemand rekening en verantwoording kon vragen'. Méér dan alleen een belangeloze wil tot gerechtigheid spreekt daaruit een verlangen tot oordelen en veroordelen, langs scherpe lijnen. Té scherpe lijnen, want in zijn woede vergeet de jongen aan welke kant Italië tijdens de oorlog ook weer vocht. Nicola herinnert zich dat wel en dat maakt zijn oordeel voorzichtiger en minder triomfantelijk.

Zo speelt door dit verhaal van volwassen-wording en ontluikende liefde een onbarmhartigheid mee, die de adolescentie vaak begeleidt. Ze vormt de schaduwzijde van een leeftijdsfase die zoekt naar zuiverheid en daardoor – anders dan zij van zichzelf meent – vaak uitblinkt in rigiditeit. Subtiel – en misschien zelfs in weerwil van de auteur – breekt het besef van de schuldigheid daarvan plotseling door deze bitterzoete zomeridylle heen en maakt haar eens zo wrang.

Erri De Luca: Jij, de mijne (Tu, mio). Uit het Italiaans vertaald door Tine Riegen en Anna Maria Domburg. Meulenhoff, 142 blz. ƒ29,90

Buitenlandse literatuur

    • Ger Groot