Dichter Jan Engelman in een bezield verband

Hij was een graag geziene verschijning in de straten en vooral kunstzalen, schouwburgen en cafés van zijn stad, de dichter Jan Engelman (1900-1972). Hij werd in Utrecht geboren boven de vishandel waar nu etablissement Graaf Floris aan een gracht is gevestigd. Hij stierf niet in deze stad, maar in Amsterdam. Behalve dichter was hij ook kunstcriticus voor tal van dag- en weekbladen en zelfs voor korte tijd redacteur op de buitenlandredactie van De Tijd aan de hoofdstedelijke Nieuwezijds Voorburgwal. Hij was invloedrijk in de voor- en naoorlogse jaren. Daarna raakte hij in de vergetelheid. Het geweld van Cobra en De Vijftigers overstemde de verfijnde stijl van deze man, voor wie nog altijd de oude spelling met dubbel `oo' gold en die het liefst in de Italiaanse renaissance te gast was.

In de Artilleriestallen van het Centraal Museum in Utrecht is zijn leven bijeengebracht. De bezoeker krijgt, mede dankzij de catalogus Op gezang en vlees belust, een mooi portret van Engelman en zijn tijd. Schilders als Charley Toorop en Kees Verwey portretteerden hem. Hij liet zich fotograferen met dichter Adriaan Roland Holst. Hij opende kunstexposities, zoals van zijn vriend Piet Vermeulen die hem in 1961 schilderde. Dat portret is een van de hoogtepunten. Engelman is gekarakteriseerd als een man uit een andere wereld die over een oude muur – dat moet de Weerdmuur zijn – blikt naar de boze wereld daarbuiten. Zijn blik achter de brillenglazen is verbaasd en melancholiek. Het is alsof hij elk ogenblik weer achter die veilige verschansing weg kan duiken. Naast hem staat de Domtoren danig uit het lood. Die valt om.

Engelman, de `kunstpaus' van de oude bisschopsstad, heeft enkele uiteenlopende wapenfeiten op zijn naam staan. Dat maakt hem intrigerend. Al op 25-jarige leeftijd richtte deze zoon van een vishandelaar het progressief-katholieke blad De Gemeenschap op. De nummers liggen in de vitrines uitgestald als een kleurrijke loper van vernieuwingsdrift en kunstzinnigheid. Er was aandacht voor nieuwe bouwkunst (Rietveld, J.J.P. Oud), film, poëzie (H. Marsman), beeldende kunst. De omslagen van het tijdschrift, ontworpen door uiteenlopende kunstenaars, tonen een gewaagd gebruik van kleur en typografie. Engelman schreef programmatisch dat hij het `leeven' wilde in de kunst en geen museum. Hijzelf stond volop in dat leven, al was het maar omdat hij telkens op slag verliefd werd op elke kunstzinnige vrouw. Zo schreef hij het beroemde gedicht Vera Janacopoulos in vijf minuten aan een cafétafeltje nadat hij in de concertzaal van Tivoli een optreden bijwoonde van de Grieks-Braziliaanse zangeres Vera Janacopoulos. Als muziekrecensent schreef hij: zij was ,,de verpersoonlijking van liefdegevoel en algemeen musisch gevoel.'' De dichter in hem uitte zich in pure klanklyriek: `Ambrosia, wat vloeit mij aan?/ uw schedelveld is koeler maan/ en alle appels blozen// de klankgazelle die ik vond// o muze in het morgenlicht'. Het handschrift van dit ongetwijfeld zinnelijke gedicht, dat generaties lezers evenzeer bekoorde als voor raadsels stelde, is vast en vertoont geen enkele aarzeling. Ter Braak vond het niks, dit vers vol `roeskenmerken', `erotische grootspraak en religieuze vaagheid'. De naam van Engelman als dichter was in elk geval gevestigd. Toen in 1934, een jaar na het optreden van Janacopoulos, Engelmans bundel Tuin van Eros verscheen, een ode aan de sensualiteit, verwierf hij faam: een katholiek die openlijk de lichamelijke liefde bezong. Engelman werd een van onze eerste experimentele dichters.

Engelman ging vriendschappelijk om met schilders als Pyke Koch, Otto van Rees en Hendrik Wiegersma. Schilderijen van hun hand sieren de tentoonstelling. Prachtig van opbouw en sfeer is het Zelfportret uit 1927 van Van Rees. De schilder beeldde zichzelf af in het atelier van Wiegersma, omringd door schilderkunstige vormen als een vaas, palet, piano, een handvol kwasten. De moderne stromingen dienen zich op dit doek aan. Engelman schreef er treffend over: ,,Het avontuur der cubistische avant-garde heeft op hem in volle omvang invloed gehad, het was hem heilzaam, hij verwierf een nieuw vormgevoel en toen hij weerkeerde tot het concrete in de voorstelling had dit niets meer van de oude, naturalistische visie.'' Al in 1925 introduceerde hij, in een artikel over de Bergense School voor De Gemeenschap, bevriende schilders als Piet en Mathieu Wiegman en Piet van Wijngaerdt. Hij zag goed dat zij voortbouwden op de vroege avant-garde als het luminisme, kubisme en expressionisme, al bleven ze altijd figuratief. Atmosfeer was het belangrijkste. Herkenbaarheid in schilderkunst stond voor Engelman hoog aangeschreven, abstractie was hem vreemd. Hij had, zoals hij het formuleerde naar aanleiding van een stilleven van Otto van Rees uit 1922, ,,een levendige interesse voor het probleem van de diepte, voor een nieuwe ruimtelijke logica.'' Elk exemplaar van De Gemeenschap is een schatkamer over de veelsoortige kunststromingen van toen. Het is verrassend dat Engelman zo jong zo helder en daadkrachtig hierover schreef.

In de jaren vijftig en zestig liet Engelman plotseling een heel andere stem horen, de politieke. Zijn geliefde stad Utrecht zou ten prooi vallen aan vernieuwings- en tegelijk vernietigingsdrift, aan de domme macht `van de koevoet'. Een Duitse verkeersdeskundige wilde de singels, zoals de Catharijnesingel, dempen, traditionele gebouwen met de sloophamer vermorzelen, doorbraken voor het verkeer forceren en snelwegen aanleggen. Engelman verzette zich tegen deze ontzieling en vernietiging. Niet de stad diende kapot te gaan aan de auto, de auto diende zich aan te passen aan de stad. In tal van even poëtisch als scherpzinnig-politiek geschreven stukken in Utrechtse kranten wist hij het plan enigszins tegen te houden. De Catharijnesingel ging eraan, de `proletarische' architectuur van Hoog Catharijne verrees. Engelman werd te weinig gehoord. Hij kon niet langer wegduiken achter de `bemuurde Weerd' van zijn geboortestad en vluchtte in de late jaren zestig naar Amsterdam, Utrecht als `ontluisterd rijk' achterlatend. Hij schreef nog, zij het min of meer vergeefs over zijn stad waar de bruggen `gekromd als de ruggen van panters' over de grachten liggen: ,,Utrecht is niet zoo onverwoestbaar als Amsterdam.''

Tentoonstelling: De toets der bezieling. Jan Engelman 1900-1972. Centraal Museum, Agnietenstraat, Utrecht. T/m 15/10, di-zo 11-17u. Catalogus: Liesbeth Feikema e.a.: Op gezang en vlees belust. Over leven, werk en stad van Jan Engelman. Uitg. Kwadraat, ƒ 49,90.