Déjà vu dreigt voor de euro-economie

1995, 1998, 2000? De euro-economie dreigt wederom na een voorspoedige conjuncturele water te maken. Wat gaan de roergangers in Frankfurt doen? Ingrijpen op de valutamarkt wordt steeds waarschijnlijker.

De strandlakens worden ingepakt, de zonnebrillen gaan weer in hun doosje: Europa's centrale bankiers keren volgende week terug van vakantie, en houden op donderdag hun eerste vergadering na het korte zomerreces. Wat ze aantreffen zal hun niet erg bevallen. Terwijl de inflatie de kop opsteekt, beginnen er tekenen door te sijpelen dat het tempo van de economische groei begint af te zwakken.

Om met de inflatie beginnen: vorige week vrijdag bleek dat de inflatie in de eurozone, gemeten volgens de geharmoniseerde methode, hardnekkig hoog bleef in juli, op 2,4 procent. Daarmee is de tijdelijkheid van de inflatiepiek die verwacht werd door de gestegen olieprijzen verleden tijd. De ECB lijkt dat in zijn jongste maandbericht ook te erkennen. Zeker nu de prijs van olie hoog blijft, rond de 30 dollar of daarboven, beginnen de zorgen over de aankomende winter, waarin olie in de regel een zetje omhoog krijgt. De zwakke euro zorgt voor extra inflatie-import.

Dat er in de kleine, snel groeiende euro-landen al een hoge inflatie is, was bekend. Ierland spant met 6,2 procent de kroon, maar ook in Nederland bleek de afgelopen tijd dat de inflatie hardnekkig hoog is. 2,8 Procent bedroeg het cijfer in juli, en in het geval dat de markt het al aan het vergeten is: de fiscalisering van de omroepbijdrage begin dit jaar zorgt er voor dat het cijfer met rond de 0,5 procentpunt naar beneden wordt vertekend. In `werkelijkheid' bedraagt de inflatie hier 3,3 procent, wat goed zal blijken als komende januari dit statistische effect uit de berekening loopt – en bovendien de btw wordt verhoogd. De bbp-deflator, een zeer brede inflatiemaatstaf die doorgaans lager is dan de gangbare inflatiemeting door middel van het meten van de consumentenprijzen, steeg in het tweede kwartaal naar 2,9 procent – en dat is de hoogste waarde sinds 1991. Ook Spanje, Portugal en Finland hebben een hoge inflatie.

De grote tegenvaller is dat in Duitsland, dat ruim 30 procent weegt in de economie van Euroland, er ook een steeds grotere inflatiedruk is. Gisteren bleek dat de producentenprijzen daar zijn gestegen tot 3,3 procent, met een sprong van maand op maand van 0,7 procent – de snelste stijging sinds de Duitse eenwording. Deze ontwikkelingen, en vooral de kans op vervolgeffecten wanneer werknemers niet langer overtuigd zijn van de tijdelijkheid van de inflatiepiek en hun looneisen uit vrees voor koopkrachtsverlies opschroeven, kunnen de ECB er toe zetten volgende week al zijn rentetarief te verhogen.

Het officiële tarief van de ECB staat op 4,25 procent, en is ten opzichte van vorig jaar al met 1,75 procentpunt opgeschroefd. In werkelijkheid is de rente al hoger dan dat: sinds twee maanden is de ECB overgegaan van een vast naar een variabel systeem. Het wordt aan de geldmarkt overgelaten hoe hoog de basis-herfinancieringsrente in de praktijk is. En die markt heeft dit rentetarief al laten oplopen tot 4,47 procent afgelopen dinsdag in de kennelijke verwachting van een officiële rentestap. Die stap, met een kwart procentpunt naar 4,5 procent, zou enkel de huidige praktijk bestendigen.

De vraag is of de euro-economie verdere renteverhogingen doorstaat. In 1995 werd het conjuncturele herstel in de EU verstoord door onrust op de valutamarkten. In 1998 gooide de Azië-crisis met name voor Duitsland en Italië roet in het eten. Wordt de derde poging tot een periode van langdurige hoogconjunctuur nu wederom in de wielen gereden? Dinsdag bleek de toonaangevende Duitse Ifo-indicator, die doorgaans accuraat voorloopt op de economische groei, voor de tweede achtereenvolgende maand flink te zijn gedaald. Weliswaar tot een nog steeds relatief hoog niveau dat vergelijkbaar is met november vorig jaar, maar het cijfer brengt het vertrouwen dat er in de tweede helft van dit jaar een versnelling van de euro-economie zou komen, aan het wankelen. Een aantal kleinere landen, waaronder Nederland en België, maakt de indruk zijn groeipiek achter de rug te hebben.

De zakenbank Morgan Stanley heeft als eerste zijn prognose voor de economische groei in Euroland in geheel 2000 al verlaagd, van de consensus-raming van 3,5 procent naar 3 procent. De bank verwacht dat meer instellingen hun groeiraming naar beneden zullen bijstellen. Omdat het verschil in economische groei tussen Euroland en de Verenigde Staten de drijvende kracht is achter de sterke dollar en de zwakke euro, lijdt de Europese munt onder de lagere Europese groeiverwachting. Woensdag verzwakte de euro vlakbij zijn laagste koers van 0,8845 dollar van mei.

Terug van het strand staan de bankiers van de ECB voor een belangrijk vraagstuk: de rente verhogen om de inflatie in te dammen kan de euro-economie beschadigen, en daarmee de euro. Niets doen terwijl de inflatie harnekkig boven het toegestane plafond van 2 procent blijft kan eigenlijk ook niet. Misschien dat de ultieme noodgreep, interventies in de eurokoers op de valutamarkt, ditmaal niet meer zo ver weg is.