De geschiedenis van een talent

Doorn heet de hoofdpersoon van de gelijknamige debuutroman van musicoloog en journalist Bas van Putten (1965). Dit voornaamloze, door depressies gekwelde personage speelt piano, is overtuigd van zijn uitzonderlijke talenten op zowel muzikaal als literair terrein, maar slaagt er niet in deze tot gelding te brengen. We moeten geloven dat deze roman een autobiografische inslag heeft. En waarom zouden we niet? De auteur verzuimt niet in interviews te wijzen op de overeenkomsten tussen hem en zijn deerniswekkende hoofdpersoon: ze zijn van dezelfde leeftijd, hebben teleurstellende ervaringen in de journalistiek achter de rug en ontlenen veel aan muziek. Maar de weg van Putten naar Doorn leidt naar Vestdijk.

Zoals iedereen weet, woonde Simon Vestdijk, die meestal alleen met zijn achternaam wordt aangeduid, in Doorn. Hij leed aan ernstige depressies, schreef behalve romans ook essays over muziek en worstelde, zoals uit zijn briefwisseling met Marsman blijkt, enorm met zijn talent. Doorn spiegelt zich voortdurend aan de `duivelskunstenaar', al valt Vestdijks naam slechts één keer in het verhaal. Als alles in Doorns leven mis dreigt te lopen en hij zich heeft teruggetrokken in het huis van zijn vader, put hij troost uit de Anton Wachter-reeks. Dat is alles. Hij vermeldt er niet bij dat het eerste deel van die reeks als ondertitel `De geschiedenis van een talent' heeft, wat bij uitstek het thema is van Doorn.

Verheffing

Van Putten heeft met Doorn een actuele roman geschreven over een dertiger die niet is opgewassen tegen de huidige tijd, waarin mensen goud geld verdienen met oppervlakkigheid en windhandel, terwijl er voor zijn waardevolle, want zorgvuldig gekweekte, talenten geen emplooi is. Doorn is opgegroeid in de provincie als het kind van sociale stijgers die heilig geloven in `verheffing'. Zijn grootvader van moeders zijde, als hoofd der school de eerste gestudeerde uit een geslacht van ongeletterde Drentse armoedzaaiers, heeft met zijn overspannen beschavingsoffensief eerst zijn dochter tot waanzin gedreven en vervolgens zijn kleinzoon. Die is weliswaar blijven steken in een proefschrift en vervolgens mislukt in de journalistiek, maar niettemin voelt hij zich ver verheven boven de middelmaat. Als excentrieke `huisman' ontwikkelt Doorn een afkeer van burgerlijkheid (de poenige zakenwereld van zijn vrouw, die hem als succesvol advocate financieel onderhoudt) en van wat Vestdijk `de minderwaardige persoonlijkheid' noemde. Minderwaardig is iedereen die niet zijn culturele bagage heeft, zoals `werklui' die nu eenmaal hun plaats moeten kennen.

Doorn weet zelf heel goed waar zijn verwaandheid uit voortkomt: `Wij waren nog zo vers toen wij de kleine luiden in onszelf hadden bedwongen . Net uit het ei gekropen. Onze geschiedenis was nog maar net begonnen', peinst hij over zijn afkomst. Van kinds af aan is hij opgevoed met het idee dat hij, op grond van zijn bijzondere gaven, alleen maar rechten heeft en geen plichten. `Voor plichtsbetrachting heb je anderen, de koelies en de slaven', meent hij. Daarom beschouwt hij de onderwijzeres van zijn zoontje als lid van een `omhoog gevallen onderklasse' en een visser aan het Noordzeestrand als een `plebejer'.

De vraag is natuurlijk wat hij zelf voorstelt. Is hij wel zo begaafd als hem is voorgespiegeld? Zijn vader, ook een onderwijzer, meent per saldo van niet. `Je hebt de intelligentie van je moeder, maar niet het talent', houdt hij Doorn voor. Die moeder was, evenals die van Vestdijk trouwens, een begenadigd pianiste die de muziek in zijn leven heeft gebracht, maar die hij als kunstenaar nooit zal evenaren.

Haarscherp tekent Van Putten het monomane karakter van Doorns moeder die, om andere redenen dan Doorn zelf, haar talenten niet heeft kunnen ontplooien. Ze leed aan depressies en werd voorgoed krankzinnig toen door haar toedoen haar jongste zoon, Doorns kleine broertje Tijn, werd geëlektrocuteerd. Tijns gruwelijke dood voltrok zich voor de ogen van de kleine Doorn – ijzingwekkend beschreven – en veel van diens latere problemen kunnen uit deze fatale gebeurtenis worden verklaard.

Doorns grootste probleem is de gapende kloof tussen pretentie en prestatie. De verantwoordelijkheid voor zijn gekmakende onvermogen legt hij niet bij zichzelf en zijn eventuele gebrek aan talent, maar bij zijn omgeving: zijn ouders en grootouders, zijn traumatische jeugdervaringen, zijn vrouw, zijn tijd. `'t Is echt een gekke tijd, dacht Doorn. Het is allang niet meer de waarde van de dingen die hun koers bepaalt. Wat telt is hun status. Hoe kwetsbaar is de menselijke waardigheid.' Dat deze `gekke tijd' de onze is, lijdt geen twijfel. Zijn vrouw heeft hem verbannen naar Amsterdam-Zuid waar ze een dure etage voor hem heeft gekocht met de bedoeling dat hij onder de mensen komt en de rust vindt om een roman te schrijven. Na jaren met vrouw en kind op het platteland te hebben gewoond loopt hij voor het eerst weer door de stad van zijn studiejaren. Onverhoeds betreedt hij daar op een ochtend het Museumplein, waar hem de schok van zijn leven wacht. Wat volgt is een even amusante beschrijving van het slagveld dat door een dure Deense landschapsarchitect tussen Rijksmuseum en Concertgebouw is aangericht, een metafoor voor de tijdgeest die hij veracht.

Wanhoopskreet

Doorn is eenzaam in Amsterdam. Als zijn waanzinnige moeder in een psychiatrische inrichting zelfmoord pleegt, krijgt hij de opdracht haar al jaren leegstaande appartement, dat zich vlak bij het zijne blijkt te bevinden, te ontruimen. Hij confisqueert haar kostbare vleugel en probeert vervolgens de discipline op te brengen om iedere dag zo te te muciseren dat hij niet alleen zijn moeder, maar ook de componisten die hij speelt overtreft. Opnieuw een trekje van Vestdijk dus.

De gekwelde Doorn, voor wiens zielenadel en geestelijke rijkdom geen hond oog heeft, wordt steeds meer een replica van zijn moeder. Als hij zijn zoontje Tom opeist, omdat het kind in zijn ogen thuis wordt verwaarloosd, laat hij het opzichtig in de steek en voel je de dreiging van het lot van het broertje Tijn. Intussen heeft hij nog geen letter geschreven en een groot musicus belooft hij ook niet te worden. En niet alleen kruipt de waanzin zijn hoofd binnen, maar ook de kanker zijn lijf. Kronkelend van de pijn legt hij zich ten slotte te ruste in een greppel naast zijn echtelijke woning waar hij – om zich zijn eigen overbodigheid goed in te peperen – gadeslaat hoe vrouw en kind zich uitstekend redden zonder hem. Zijn mislukking op alle fronten is bevestigd: de hoogste tijd om voorgoed achter de horizon te verdwijnen.

De roman Doorn drukt het machteloze malen van een in nood verkerende ziel uit, een virtuoze wanhoopskreet, voor zover een kreet virtuoos kan zijn. Van Putten vraagt de lezer als het ware zijn eersteling te vergelijken met de autobiografische romans van Vestdijk. Welnu, aan diens evocerende vertelkunst en psychologische diepgang kan hij (nog?) niet tippen, maar er zit onmiskenbaar Vestdijkiaanse muziek in dit debuut – denk bijvoorbeeld aan Ierse nachten waarin Vestdijk er in slaagt het geluid van de doedelzak op te roepen. Niet alleen speelt muziek een allesoverheersende rol in Doorn, ook de zinnen die de hoofdpersoon uitspreekt of in zijn hoofd laat rondtollen zijn muzikaal, vol van klank en ritme, versnellingen, vertragingen en ademloze stiltes. Al met al een verbluffend geschreven debuut over een zieke geest in een verziekte tijd.

Bas van Putten: Doorn.Contact, 206 blz. ƒ32,90

Nederlandse literatuur

    • Elsbeth Etty