Cappuccino met een smaakje

De huidige elite in het rijke Westen verbindt de ludieke waarden van de jaren zestig met de yuppie-ambities van een later decennium. Een ontspannen geest in een goed presterend lichaam.

Originaliteit en non-conformisme zijn waarden uit de jaren zestig, die tot op de dag van vandaag recht overeind staan, ook al is de gevestigde orde waartegen men zich afzette allang verdwenen. De protestgeneratie van toen leverde de machthebbers van vandaag. De elite die het nu voor het zeggen heeft, slaat echter een totaal andere toon aan dan de elite van een halve eeuw geleden. Ze heeft een open geest, is tolerant, van diverse achtergrond en gedraagt zich informeel. Tussen elkaar voorheen wantrouwende categorieën als bankiers, entertainers en intellectuelen, zijn de scheidslijnen veel minder helder. Een topondernemer kan het uiterlijk hebben van een student, een topkunstenaar kan heel goed rondlopen in een Armani-pak. En iedereen rebbelt gezellig met elkaar in de televisie-talkshows.

Niets is aardiger dan juist voor deze groep overtuigde non-conformisten laten zien dat mensen toch voortdurend dezelfde keuzes maken, en zich bijvoorbeeld massaal storten op het drinken van ingewikkelde cappuccino's met smaakjes. In Bobo's in Paradise geeft David Brooks zo'n scherpzinnige en geestige analyse van het leefklimaat van de hoogopgeleide en goedverdienende elite in Amerika.

Brooks stelt in het algemeen dat de babyboomers altijd een moeizame verhouding hebben gehad met materialisme. De consumptiemaatschappij gold in hun kritische jeugd als een verschijnsel waar je niets mee te maken moest hebben. Van die houding is weinig overgebleven, gezien de manier waarop geld nu met bakken tegelijk wordt uitgegeven aan particulier vertier. Maar Brooks laat zien dat er voor de soberden onder ons geen enkele reden is zichzelf schouderklopjes te geven. Regel één op het gebied van de financiële correctheid luidt volgens hem: `Alleen ordinaire mensen besteden grote sommen geld aan luxeproducten; beschaafde mensen beperken hun geldsmijterij tot nuttige aanschaffen.' In dit perspectief is het decadent om duizend gulden uit te geven aan handgemaakte leren schoenen voor een galakostuum, maar heel gewoon om voor dat bedrag het beste merk bergschoenen te kopen voor een overlevingsweekend in de Ardennen.

Geld spenderen aan dure juwelen, emmers kaviaar, kamerbrede tv-schermen of een warm bubbeltjes-bad in de tuin is not done, want deze dingen vallen onder opzichtige luxe, maar als de aanschaf ook maar het geringste spoor van nuttigheid bevat, mogen alle remmen los. Sport valt tegenwoordig ook onder nut door de obsessie van de babyboomers met gezondheid, dus vandaar de enorme bedragen die zonder blikken of blozen worden besteed aan fitness-, wandel-, trek-, ski- en klimuitrustingen, boten, geavanceerde fietsen en rollerskates.

Emotionaliteit

Het `bobo' uit de titel van Brooks boek is een samentrekking van `bourgeois' en `bohémien'. De huidige westerse elite heeft de aloude tegenstelling tussen gevestigde orde en persoonlijke vrijheid weten op te heffen door de tijdgeest van de jaren zestig (het zoeken naar authenticiteit) en die van de jaren tachtig (de ambitieuze yuppie) met elkaar te fuseren tot een krachtig mengsel, dat de nieuwe maatschappelijke norm vormt. De oude burgerlijke cultuur werd geassocieerd met spaarzaamheid, plichtsbesef, ambitie, hard werken, je houden aan de regels, tradities en rationaliteit, terwijl de bohémiencultuur de nadruk legde op hedonisme, leven bij de dag, creativiteit, zelfexpressie, ervaringen, immateriële waarden, radicalisme en emotionaliteit.

Vanaf de achttiende eeuw werd `burgerlijkheid' al verketterd door kunstenaars en intellectuelen zonder dat dit enig effect had op de mensen die de dienst uitmaakten. De elite ging ongestoord door zichzelf te reproduceren en de critici bleven minvermogend aan de zijlijn staan. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd in de Verenigde Staten de kiem voor een omslag gelegd doordat universiteiten zich bekeerden tot het meritocratische principe. In plaats van voornamelijk Wasps uit gegoede families aan te trekken, stelden zij de universiteiten open voor studenten met hoge scores in de Standard Aptitude Test (SAT). Het meritocratisch denken was het startpunt voor de diversiteit, die later als zelfstandige waarde binnen de cultuur werd erkend. De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren zestig betekende de grootste stormloop ooit van het bohémien-denken op de status door geboorte, de starre normen en de benepen opvattingen van de gevestigde orde. Waren bohémiens voorheen een kliekje van buitenstaanders, nu werd het een horde.

Cultuurpessimisten vreesden voor het te gronde gaan van de maatschappij door hedonisme, waarmee werd bedoeld: drugs, opzwepende muziek, vrije seks, vrije expressie, natuurromantiek en algehele nietsnutterij. Maar dat alarm bleek loos. De bourgeoisie heeft de klappen van de rebellen geïncasseerd en is als een repressief-tolerante elastieken pop teruggeveerd naar haar oorspronkelijke machtspositie.

Cruciaal is volgens Brooks in elk geval dat de nu heersende elite dertig jaar na de revolutie van de jaren zestig de culturen van het keurslijf en die van de vrijheid met elkaar verzoend heeft. Spil van deze verzoening, onderstreept Brooks, is dezelfde meritocratie die aan de universiteiten al zo'n rol speelde. Wie bereid is hard te werken moet ongeacht zijn of haar afkomst de gelegenheid krijgen een goede opleiding te volgen om zich te verzekeren van een goed inkomen. De traditionele bourgeoiscultuur hechtte waarde aan hard werken; de traditionele bohémiens hechtten waarde aan plezier maken. De bobo-cultuur combineert deze tegenpolen door waarde te hechten aan hard werken, als je er tenminste je ziel in kunt leggen.

Werken is nu zo ongeveer het belangrijkste wat een mens in zijn leven doet. In de bobo-cultuur draait alles om ambitie, concurrentie en succes, niet omdat het moet van de chef maar omdat het je eigen keuze is. Werk mag dan ook niet saai zijn of slechts een middel tot brood op de plank, maar moet het leven verrijken. Je moet er `als mens' van groeien. Maar afgezien van zelfexpressie heeft hard werken ook steeds meer de functie gekregen van zelfhandhaving. In een meritocratie moeten mensen meer op hun qui-vive zijn dan in een starre standenmaatschappij, waar je rustig kunt blijven zitten waar je zit. Mensen worden beoordeeld op recente prestaties. Wie een tijdlang onderpresteert, wordt verdrongen. Onzekerheid over hun status en concurrentie van ambitieuze jonge honden zorgen ervoor dat hoogopgeleiden niet wegdommelen.

Tegenover werk staat ontspanning. Maar zoals het werk allerlei traditionele plezierfuncties heeft geïncorporeerd (`leuk' werk, informele sfeer, flexibele uren), zo gaat de ontspanning juist met steeds meer regels en verplichtingen gepaard. Het ongebreideld dionysische van de jaren-zestig is ver te zoeken in de bobo-cultuur: roken is een regelrechte misdaad, alcohol is uit de gratie en een nacht doorfeesten is er niet bij. Het bobo-idee van ontspanning is elke dag een uur te besteden aan joggen of fitness om het lichaam gezond te houden. Seks is vanzelfsprekend principieel vrij en `een keuze', maar tegelijkertijd waarschuwt de internetnieuwsbrief van een sadomasochisten-belangengroep dat de SM-ervaring benaderd dient te worden met een accepterende houding, zorg, waardigheid en respect. In elitaire sekstijdschriften, aldus Brooks, is men zo bang te discrimineren op uiterlijk (lookism) dat bij voorkeur lelijke of oude seks bedrijvende mensen worden afgebeeld. Seks mag, als het maar gebeurt op een veilige manier en met respect. Deze boodschap wordt afgewisseld met: seks moet, omdat het goed is voor de gezondheid. De bobo-houding tegenover seks is antiseptisch en heeft niets te maken met de avontuurlijke, gevaarlijke seks, waarmee van oudsher regels worden overtreden.

Lenigheid

In hun jonge jaren waren bobo's verder tegen kerk, gezin en staat. Nu ze zelf kinderen hebben, maken ze zich zorgen om het aantal echtscheidingen, gaan ze terug naar de kerk (niet omdat ze geloven maar om hun kinderen iets `mee te geven') en houden ze het schoolleven van hun kroost nauwlettend in de gaten. De nieuwe elite heeft zich, samenvattend, met grote lenigheid het beste van twee werelden toegeëigend. Ze doen waar ze zin in hebben en houden zich daarbij aan door henzelf ontworpen nieuwe maatschappelijke regels. Ze scheiden hun afval, recyclen hun oud papier en steunen de walvis, ze zijn zuinig op hun lichaam, ze werken hard, ze discrimineren anderen op prestatie en niet op ras, sekse of geloof. Ze geloven in goede manieren en eten scharrelvlees, hechten aan gemeenschapszin (al verhuizen ze onmiddellijk wanneer zich elders een betere baan voordoet). Ze geloven in iets hogers, maar zonder zich ergens aan te onderwerpen. Flexidoxie noemt Brooks deze vorm van godsdienstigheid. Je doet met alle rituelen mee, behalve met de regels die je om de een of andere reden niet aanstaan.

Wat is daar mis mee? De neiging om te zwijmelen bij alles wat authentiek en simpel is (het eerlijke leven in de natuur ver van de massa), hun obsessie met olijfolie en Toscaans aardewerk zij hun vergeven, maar als het erop aan komt, kiezen de bobo's voor hun eigen en niet voor andermans belang. Begrijpelijk, verstandig en pragmatisch, zeker in een postideologische tijd, waarin geen denkrichting te verzinnen valt die in aanmerking komt om je ten volle aan over te leveren. De `flexidoxe' bobo's hebben gelijk met hun keuze voor het goede leven. Ze zitten in het paradijs en ze weten hoe het hoort. Hun valt niets te verwijten. Dat maakt hen even irritant als herkenbaar.

David Brooks: Bobo's in Paradise. The New Upper Class and How They Got There. Simon & Schuster, 284 blz. ƒ69,95

Amerika