Altijd een hoofd vol letters

De geschiedenis is soms meedogenloos. Neem Laurens Jansz. Coster. In de negentiende eeuw werd hij in Nederland beschouwd als de uitvinder van de boekdrukkunst, wat hem roem, eer en een standbeeld op de Grote Markt van Haarlem opleverde. Maar plotseling besloot de geschiedenis dat Coster geen recht had op die eer; in de discussie over de enige echte uitvinder van de boekdrukkunst werd zijn reputatie vermalen. Tegelijk werd zijn collega Johann Gutenberg naar voren geschoven als het ware genie achter de vloedgolf van boeken en kranten. Dat de Chinezen al in de tweede eeuw na Christus papier bedrukten, en dat het heel goed mogelijk is dat er zowel in Mainz als in Haarlem en Avignon gelijktijdig ongeveer dezelfde technieken werden ontwikkeld deed niet ter zake. De boekdrukkunst had een embleem nodig en de geschiedenis besloot dat dit de Mainzer goudsmit Johann Gensfleisch worden moest.

The Justification of Johann Gutenberg, de nieuwe, eerste roman van de Engelse schrijver Blake Morrison is voor een groot deel op zulke geschiedvernauwing gebaseerd. Morrison is een bekende naam in Engeland, als criticus van The Independent, maar vooral door When Did You Last See Your Father, de krachtige en ontroerende herinneringen aan zijn jeugd in Yorkshire. Ook schreef hij de documentaire As If over de kwestie James Bulger, de tweejarige jongen die door twee tienjarigen werd ontvoerd en vermoord. Zowel When Did You Last See als As If blonken uit in precieze observaties en scherpe analyses, maar aan die eigenschappen heeft Morrison niet veel voor The Justification. Over Gutenberg is namelijk weinig bekend, wat we weten is afkomstig uit `juridische' stukken als leenovereenkomsten, wijnbelastingen en een rechtszaak wegens het verbreken van een huwelijksbelofte. Ondertussen is Gutenbergs geboortejaar op geen jaar na vastgesteld – men houdt het voor het gemak maar op 1400.

Voor een geoefend romanschrijver moet zo'n `leeg' verleden een buitenkans zijn;het biedt alle gelegenheid tot fantaseren. Maar het lijkt erop dat Morrison, de documentaireschrijver, daarmee niet goed raad heeft geweten. Opvallend genoeg koos hij ervoor zich te beperken en zette hij zijn boek op als een lange monoloog van de oude Gutenberg, die aan het einde van zijn leven zijn vertrouwde Mainz is uitgejaagd. Zijn uitvinding, zijn persen en zijn letters zijn hem afgenomen door zijn voormalige geldverschaffer Johann Fust, die er nu ter eigen eer en glorie bijbels en psalters op drukt. Ondertussen zit Gutenberg in het naburige Eltville, droevig en slechtziend, en dicteert hij zijn memoires aan achtereenvolgens de jonge `schrijvers' Anton en Thomas.

De belangrijkste charme van het boek is het decor van middeleeuwse steden, bijbels en schrijvers. Gutenberg verliest zich regelmatig in korte uitweidingen aan het adres van zijn schrijver die sympathiek en humoristisch zijn. Bovendien heeft Morrison een goed oog voor dagelijkse gebeurtenissen die ons nu vreemd voorkomen. Aan het einde van het boek krijgt Gutenberg bijvoorbeeld plotseling een toelage van de nieuwe bisschop van Mainz toegewezen, die onder andere tweeduizend liter wijn per jaar omvat. `It is, more, almost, than this house of mine can consume' schrijft Gutenberg zonder enige ironie – terwijl dat huishouden op dat moment nog uit twee mensen bestaat.

Hoe aardig zulke feiten ook zijn, Morrison is er te veel aan gehecht. Waar zijn vorige boeken juist een succes waren door Morrisons scherpzinnige blik op de feiten, weet hij zich in The Justification niet goed raad met de overvloed aan witte plekken in Gutenbergs verleden. Morrison lost dit probleem op door zich vast te klampen aan het onomstreden feit dat Gutenberg in zijn eentje een drukpers ontwikkelde – en dus bouwt hij er maar meteen Gutenbergs hele leven omheen. Alsof het uitvinden van de drukpers een doel was waar hij in de wieg al naartoe werkte: Gutenberg kan geen wijnpers zien of hij denkt aan letters, geen smid of hij denkt aan zetsel. Zelfs zijn dramatische, onvervulde liefde voor de Straatsburgse Ennelina (die Morrison wel moest gebruiken, er bestaan rechtbankstukken over) loopt de soep in omdat al zijn ambities op zijn uitvinding zijn gericht.

The Justification of Johann Gutenberg is daardoor een roman van gemiste kansen. Die zijn niet alleen te wijten aan Gutenbergs eenzijdigheid; Morrison heeft ook een slecht oog voor de drama's die niet direct met Gutenbergs uitvinding te maken hebben. Neem het personage Johann Fust (die werkelijk heeft bestaan), de woekeraar die Gutenberg rond 1450 meer dan 1600 Mainzer gulden leende en hem daarmee in staat stelde verder te experimenteren met zijn pers. Deze Fust (Faust, verspreekt Gutenberg zich meteen, als hij hem voor de eerste keer ontmoet) is een potentieel prachtpersonage, en niet alleen omdat zijn vrouw toevallig Grete heet. Maar door de ogen van Gutenberg zien we niet meer dan een ongeletterde barbaar die voor zijn ondergang heeft gezorgd. Maar waarom was deze idioot dan bereid zo'n enorm bedrag in de onzekere plannen van Gutenberg te investeren? En waar haalt hij het geld vandaan als Gutenberg het met zijn goede naam al nergens meer geleend kan krijgen? Als lezer wil je het graag weten, maar Morrisons Gutenberg heeft er geen enkele belangstelling voor – die blijft alleen maar piekeren over zijn uitvinding en over het onrecht dat hem is aangedaan.

Natuurlijk heeft Blake Morrison zijn roman niet voor niets The Justification of Johann Gutenberg genoemd. Hij wilde het relaas schrijven van een man die een grote uitvinding deed en zich aan het einde van zijn leven miskend voelde. Dat klinkt begrijpelijk, maar daarbij ziet Morrison over het hoofd dat dat dilemma voor de huidige lezer niet interessant meer is; die weet allang dat de geschiedenis Gutenberg glorieus heeft verkozen boven de Costers, Fusten en Schoeffers. Wat overblijft is The Justification of Johann Gutenberg als een vriendelijke, getrouwe reconstructie van het leven van de uitvinder. Iemand zou daar eens een goede roman van moeten maken.

Blake Morrison: The Justification of Johann Gutenberg.

Chatto & Windus, 272 blz. ƒ49,95

Buitenlandse literatuur