Als een kanonskogel door Normandië

`Ik heb getracht een definitieve biografie van Proust te schrijven, omdat ik ervan overtuigd ben dat we kwantitatief en kwalitatief op dit moment over voldoende gepubliceerde bronnen beschikken.' Met deze woorden opent George D. Painter het voorwoord bij zijn biografie Marcel Proust waarvan de twee delen in 1959 en 1965 verschenen. De toekomst zou uitwijzen dat Painters pretentie van een opmerkelijke naïveteit getuigt. Sinds Painter zijn boek publiceerde, zijn talloze documenten toegevoegd aan de immense stapel gegevens waarop deze biograaf van Proust zich al kon baseren: meer dan vijfduizend brieven, notitieboekjes met daarin de manuscriptteksten van A la recherche du temps perdu, diverse nieuwe Franse kritische uitgaven van deze roman, een stortvloed aan studies, een aantal jeugdgedichten van Proust. Velen hebben dan ook na Painter de behoefte gevoeld hun visie op deze schrijver, die zelf zo weinig op had met het genre van de biografie, aan de reeds bestaande interpretaties toe te voegen. En nu is er William C. Carter, de eerste Amerikaan die het aandurft zich te mengen in de talloze discussies die er rondom de vele `ikken' van Marcel Proust in de loop der jaren zijn gevoerd.

In Marcel Proust: A life getuigt Carter van eenzelfde streven naar volledigheid als Painter. Hij wil niet alleen Prousts curriculum vitae voor het Amerikaanse publiek op papier zetten maar gaat ook uitgebreid in op de lange en langzame wordingsgeschiedenis van A la recherche du temps perdu, de receptiegeschiedenis van Prousts literaire oeuvre en de talloze parallellen die er natuurlijk wel degelijk te trekken zijn tussen leven en werk van deze schrijver voor wie kunst de hoogste levensuiting was: `het ware leven is de literatuur'. Minutieus laat Carter zien hoe bepaalde thema's zich in leven en werk van Proust ontwikkelen. Het aardse thema van de sadomasochistische liefde bijvoorbeeld, dat zo pregnant aanwezig is in A la recherche du temps perdu, maar waarvan ook in vroegere teksten reeds sporen te vinden zijn. Het thema van de sublimatie, de uiteindelijke apotheose die iedereen die zich aan de kunsten wijdt ten deel zal vallen mits hij of zij daadwerkelijk iets vermag. En natuurlijk gaat Carter ook in op de ontwikkeling en de verstrengeling van deze thema's. Goed en kwaad, het hogere en het lagere zijn bij Proust wonderlijk dooreengeweven. Het hoeft niemand te verbazen dat hij een groot liefhebber was van Wagners `Parsifal'.

Maagd van Orléans

Toch wordt deze biografie, die te prijzen is vanwege de synthese van bestaand materiaal die zij de in Proust geïnteresseerde lezer biedt, ontsierd door een aantal ernstige tekortkomingen. Een eerste bezwaar is de afwezigheid van enige methodologische overweging. Carter getuigt van een onvermoeibare speurzin en verzamelhartstocht die op zichzelf te prijzen valt, maar die vaak resulteert in een stortvloed aan informatie waar de lezer onder bezwijkt. Carter heeft daarbij nog de handicap dat hij Proust, en daarmee het Frankrijk van de Belle Époque, voor een Amerikaans publiek toegankelijk moet maken en dus extra informatie moet aandragen over literaire en politieke figuren, het onderwijs, de Dreyfus-affaire, enzovoorts. Dit levert vaak overvolle alinea's op waarin ongelijksoortige informatie opeengestapeld is, zoals die waarin Carter Orléans beschrijft, waar Proust zijn militaire dienst volbracht: `Omstreeks 15 november reisde hij naar het zuiden af om zijn intrek te nemen in deze voor hem nieuwe stad aan de Loire. In 1889 was Orléans een stad van meer dan 60.000 inwoners, met een rijke historie. In 1429 had een boerenmeisje roem vergaard door de stad uit Engelse handen te bevrijden, een triomf die de reden was van haar latere heiligverklaring en haar de naam bezorgde van `maagd van Orléans'.'

Gevoel voor stijl is überhaupt niet Carters meest in het oog springende eigenschap. Opnieuw in navolging van Painter, heeft Carter geprobeerd het relaas van Prousts leven op te bouwen als een roman, maar hij doet dat op een wijze die Painter (en Proust) niet waardig is. Hij heeft aan zijn narratieve biografie de allure van het spannende jongensboek willen meegeven en dit op zeer onbeholpen wijze. Het feitelijk relaas wordt voortdurend afgewisseld door passages waarin de auteur de protagonisten van zijn vertelling aan het woord laat en handelend laat optreden. Met veel bravoure doet Carter verslag van Adrien Prousts heldhaftig optreden tijdens de Commune-opstand, van Marcels eerste orgasme en van diens autoritjes met zijn vriend Agostinelli, waarbij hij zijn zinnen te vaak overlaadt met een zeer onproustiaanse metaforiek: `Deze zomer in Cabourg zou anders verlopen dan de vorige. Marcel had toen zoveel energie en doorzettingsvermogen aan de dag gelegd, dat hij als een kanonskogel langs de wegen van Normandië was gegaan'.

Carter koestert het wel en wee van zijn personages vaderlijk en deelt met volledige overgave de zorgen van met name moeder en zoon: `Wanneer Jeanne liefdevol keek naar het kind wiens gezicht zo op het hare leek, haar Marcel, haar wolfje, moet het haar zijn opgevallen dat hij opmerkelijk weinig van een wolf weg had. Het jongetje was schriel en angstig en barstte makkelijk in tranen uit. Hoe kon ze hem op eigen benen laten staan mocht er iets met haar gebeuren? Ze wilde dat hij sterk en onafhankelijk zou zijn en wijdde zich volledig aan dit doel. Hoewel Marcel alle kenmerken van een moederskindje had, wijst alles erop dat hij beslist geen mietje is geweest. Hij deed graag mee aan kinderspelletjes, hield van vissen en nam paardrijlessen'. Alsof `mietjes' niet van paardrijden kunnen houden.

Dat Proust wel homoseksueel maar niettemin een echte man was, vormt een centraal thema in Carters analyse: als jongetje viel Marcel op meisjes en zijn prestaties op de hindernisbaan werden beloond met `assez bien'. De verwijfde homoseksuelen die de Recherche bevolken zijn volgens Carter volledig ontsproten aan de fantasie van de auteur. Carter lijkt zich tot taak te hebben gesteld Diesbachs demystificatie van Proust waarin de sociale ambities van de schrijver centraal stonden, weer ongedaan te maken. Een nieuwe visie op Prousts persoonlijkheid biedt hij evenwel niet; hij grijpt terug op eerdere interpretaties zoals die van Painter – ontdaan van diens Freudiaanse inzichten – en houdt zich op de vlakte omtrent de aard van Prousts bezoekjes aan het mannenbordeel van Albert le Cuziat.

Carter geeft verder blijk van een zeer onproustiaanse vorm van idolatrie, die zelfs lezers die Proust mateloos bewonderen tegen de borst zal stuiten. Hij schroomt niet het lot van de kleine astmatische Marcel te vergelijken met de lijdensweg van Jezus Christus. Carter is overdreven trouw aan het beeld dat Proust zelf, via zijn werk, heeft proberen te geven van zijn karakter: dat van een salonjonker, een jaloerse, bezitterige vriend en geliefde, een kind dat tot aan zijn dood eigenlijk één lange brief aan zijn moeder schrijft, een voyeur, een roddelaar. Maar hij was bovenal een grenzeloos erudiet man met een verbazingwekkend geheugen en een tomeloze werkkracht – én een man die ondanks of beter, in de ogen van Carter, dankzij zijn neurotische kwalen een literair werk heeft geschapen dat zijn weerga niet kent.

Bij het lezen van deze biografie verlangt men op elke pagina terug naar de ingetogen, zakelijke en buitengewoon erudiete biografie die Jean-Yves Tadié in 1996 liet verschijnen, Marcel Proust. Ook Tadié heeft zich tot taak gesteld al het beschikbare materiaal voor het voetlicht te brengen, maar hij heeft daarbij een duidelijke methodologische keuze gemaakt: hij ziet Prousts biografie in de eerste plaats als een bron van diens fictie. Proust leefde met het vrijwel uitsluitende oogmerk zijn ervaringen en gedachten om te zetten in zijn oeuvre. De geïnteresseerde lezer krijgt door Tadiés boek een uitstekend inzicht in de archeologie van de `gelaagdheid' (cahiers, paperoles, correcties, toevoegingen) van het manuscript van de Recherche.

Vertroebelen

De eindeloze varianten die Tadié aandraagt dreigen overigens wel het zicht op de uiteindelijke tekst van de Recherche enigszins te vertroebelen. Dat vindt althans Roger Shattuck in zijn introductie bij Proust, Proust's Way: A Field Guide To In Search of Lost Time. Hierin wordt de lezer vertrouwd gemaakt met de vele hoedanigheden van Prousts alter ego, de verteller en held van de Recherche: de auteur in spe die onder de indruk raakt van het werk van kunstenaars als Bergotte, Elstir en Vinteuil; de idealist die wanneer hij Albertine uiteindelijk kust, tien vrouwen meent te kussen waarvan hij er niet één daadwerkelijk begeert; de voyeur die vanachter de sacrale meidoornhaag het meisje Gilberte bespiedt en stiekem toekijkt hoe baron de Charlus zich laat afranselen door stoere knapen van lage komaf. En natuurlijk ook de schrijver van memoires die leefde bij de gratie van de herhaling; de scenarist die weet te schitteren door zijn personages te laten falen; de slapstickfiguur die een opmerkelijk gevoel voor timing tentoonspreidt; de man die besluit een roman te gaan schrijven wanneer de dood hem reeds in de nek hijgt.

De criticus en auteur Shattuck biedt zeer indringende analyses van Prousts werk, onder meer over de structuur van de Recherche en de unificerende rol die het centrale bewustzijn van de verteller, karakters, plaatsnamen en metafoorreeksen daarin spelen. Proust's Way, een uitgebreide bewerking van twee eerdere boeken van Shattuck over Proust (Proust's Binoculars en Marcel Proust), biedt een goed inzicht in de grondslagen van Prousts kunst- en levensopvatting: het principe van de intermitterende persoonlijkheid, de ontluistering van de liefde en de vriendschap, de perspectivistische verteltrant, het subjectivisme, het gevaar van estheticisme en het belang van het analoge denken. Shattucks analyses van het komische aspect in Prousts werk, zo vaak veronachtzaamd door de kritiek, en van de visuele beeldspraak die alom in het werk van de röntgenoloog Marcel Proust aanwezig is, zijn het meest opmerkelijk. `In werkelijkheid is iedere lezer wanneer hij leest de lezer van zichzelf. Het werk van de schrijver is niets anders dan een soort optisch instrument dat hij de lezer aanbiedt teneinde hem in staat te stellen te onderkennen wat hij zonder het boek misschien niet bij zichzelf zou hebben waargenomen', schrijft Proust in Le temps retrouvé. Gelukkig voor de Nederlandse lezer is A la recherche du temps perdu nu ook volledig verkrijgbaar in de met de Martinus Nijhoff Prijs bekroonde vertaling van Thérèse Cornips. Wellicht kan hij zijn tijd daaraan beter besteden dan aan de biografie van Carter.

William C. Carter: Marcel Proust. A Life. Yale University Press, 1024 blz. ƒ83,30

Roger Shattuck: Proust's Way. A Field Guide to In Search of Lost Time. W.W. Norton, 288 blz. ƒ65,55

    • Sabine van Wesemael