Verplichte acceptatie biopatenten

De Nederlandse regering moet de Europese richtlijn voor het octrooieren van planten en dieren in de nationale wetgeving opnemen. Dat heeft het Europese hof van Justitie bepaald.

Regering en parlement moeten doorgaan met de invoering van een wet die het octrooieren van genetisch veranderde planten of dieren mogelijk maakt. Dit heeft de president van het Europese Hof van Justitie bepaald in het kort geding waarin Nederland om opschorting vroeg van de verplichting deze wet voor 31 juli 2000 in te voeren.

De Europese richtlijn die regelt dat het patenteren van biotechnologische uitvindingen mogelijk wordt, had voor die datum in de nationale wetgeving van de lidstaten moeten zijn vastgelegd. Een meerderheid in de Tweede Kamer heeft al geruime tijd ernstige bezwaren tegen deze richtlijn. CDA, PvdA en de kleinere levensbeschouwelijke partijen wijzen de mogelijkheid om patent te krijgen op vormen van leven `fundamenteel' van de hand.

Nederland vroeg, net als Italië en Noorwegen, al in 1998 aan het Europese Hof de Europese richtlijn te vernietigen. Het Europese parlement, de Europese Commissie en Frankrijk hebben zich in deze rechtzaak tegen het Nederlandse standpunt gekeerd. Het Hof heeft de schriftelijke voorbereiding afgerond en zal naar verwachting binnenkort aan de mondelinge behandeling beginnen. In afwachting van dit vonnis vroeg het kabinet, op aandringen van de meerderheid in de Kamer, het Hof de verplichting om de richtlijn in te voeren op te schorten.

Volgens de president van het Hof zijn de `fundamentele ethische bezwaren' die Nederland aanvoert niet gelijk te stellen met de `ernstige en onherstelbare schade' die nodig is om de invoering van een richtlijn uit te kunnen stellen. Bovendien heeft volgens de rechter Nederland verzuimd, anders dan in zeer globale en abstracte termen, aan te geven tot welke schade het zou leiden bij de tijdige invoering.

De richtlijn meldt dat `biotechnologie een hulpmiddel kan zijn bij het ontwikkelen van minder vervuilende en zuiniger akkerbouwmethoden en van belang is voor de bestrijding van grote epidemieën en endemieën'. Het gaat daarbij om genetisch veranderde (onderdelen) van planten en dieren en in sommige gevallen ook om van mensen afkomstig materiaal. De lidstaten kunnen in hun wetgeving aangeven dat sommige biotechnologische uitvindingen niet gepatenteerd zullen worden. Zo kan met een beroep op openbare orde of goede zeden het gebruik van menselijke embryo's voor industriële doeleinden worden afgewezen.

Bij de lopende behandeling van het wetsvoorstel (in feite een wijziging van de octrooiwet en van de zaaizaad- en plantgoedwet) kwam het voor de zomer tot een botsing tussen staatssecretaris Ybema (Economische Zaken) en een meerderheid van de Kamer. Ybema ging nog wel mee met de wens van de Kamer om opschorting van de invoering bij het Europese Hof aan te vragen. Maar daarnaast meende hij dat hij gehouden was om, zo lang het Hof nog geen uitspraak had gedaan over de vernietiging van de richtlijn, deze in te voeren. De PvdA stelde daarop een zodanige wijziging van het wetsvoorstel voor dat er in feite weinig over blijft van de richtlijn. Volgens Ybema was er sprake van een `destructief amendement'. Hij heeft inmiddels over dat wijzigingsvoorstel advies gevraagd aan de Raad van State. Deze zal naar verwachting in de loop van september aangeven of het amendement past in het wetsvoorstel.

DOSSIER GENETISCHE MANIPULATIEwww.nrc.nl