Verlangen naar herrie

Verstilde meren, eindeloze naaldbossen en ijzige vlaktes: een treinreis door Scandinavië is net een natuurfilm. Het is er zo stil en leeg dat je al na een paar dagen reizen door Noorwegen en Zweden vanzelf in trollen gaat geloven. Deel 4 in een serie over bijzondere treinreizen.

Al na een uur treinen door het Noorse landschap prijs ik me gelukkig dat ik de koptelefoon van mijn cd-speler vergeten ben. Thuis dacht ik nog dat muziek van Grieg en Sibelius wel toepasselijk zou zijn als achtergrond tijdens mijn treinreis door Noorwegen en Zweden; hier, in het desolate berglandschap tussen Bergen en Oslo, heb ik weinig behoefte meer aan een extra dosis depressiviteit.

Vlak na Bergen had het er nog veelbelovend uitgezien: spiegelgladde fjorden met veerboten uit alle richtingen. De ruige hellingen, hier en daar beplant met een botenhuis of kleurig dorp, hadden hun eigen charme. Allengs was het landschap leger geworden, in zichzelf gekeerd. De schaarse huizen, leverbaar in blauw, geel, rood en groen, werden te kleurig voor deze strenge ruimte. Te frivool; decorstukken voor een feest dat maar niet beginnen wilde.

Het waren de laatste vrolijke tonen geweest voor vele uren. In het besneeuwde hoogland rondom Voss en Myrdal beweegt niets meer, op een paar woeste bergbeken en nevelige watervallen na. Hier staat niet meer dan het hoognodige: een elektriciteitsmast, een dorp, gebouwd voor mensen die niet lijken te bestaan, en lawinetunnels voor de trein. Eind mei zijn de meren nog voor het grootste deel bedekt met ijs. Waar het seizoen de sneeuw verdrongen heeft, liggen rotsen, mos en dorre struikjes, die in recordtempo moeten gaan bloeien in de ultrakorte zomer. In augustus valt vaak al weer de eerste sneeuw van een nieuwe lange winter.

Enige afleiding in deze wildernis komt van mijn mede-passagiers: bejaarde Britten en Amerikanen die in de meest afgelegen oorden uit willen stappen, een Indiaas echtpaar met tulband dat zoete geuren van etenswaren en parfum door de coupé doet waaien en een Chinees stel met kind, waarvan de man om het kwartier luidruchtig zijn neus ophaalt.

Wie enige tijd in dit landschap vertoeft, gaat vanzelf in trollen geloven. Zelfs voor niet-gelovigen is Noorwegen vergeven van de trollen. Je vindt ze, rekken vol, op ansichtkaarten, in boeken, levensgroot in etalages. Met iets meer moeite zijn ze zichtbaar in de mist, in schaduwen, in bomen die druipen van de regen. De trol is er in soorten en maten, lees ik in een trollenencyclopedie: je hebt de eenogige bostrol, bergtrollen, driekoppige trollen, viervingerige huistrollen (met wie vooral huisdieren het 's nachts aan de stok krijgen) en, een romantischer soort, de musicerende watervaltrol. De meeste soorten zijn reusachtig groot. Echter nooit te groot om onder je bed te passen, zoals de Noren zeggen. Na een paar dagen reizen door Scandinavië meen ik ook af en toe een trol te bespeuren tijdens de invallende schemering, maar meestal blijkt het een vreemd gevormde boomstronk.

Verder oostwaarts, richting Oslo, wordt het landschap lieflijker, groener. Trollen gedijen hier minder goed, dat voel je. De kale rotsen, woeste stromen en leegte hebben plaatsgemaakt voor beboste hellingen, spiegelgladde meren en een bescheiden bevolkingsdichtheid. Voor het eerst in vier uur zie ik een auto rijden, een half uur later gevolgd door een motor.

,,Je moet van dit landschap houden'', zegt mijn buurvrouw in de koffiebar van de trein naar Trondheim, als we over de onafzienbare moerassige hoogvlakte van Dovrefjell rijden. Ze vertelt over een groep flatbewoners in het noorden van Noorwegen, die waren afgekomen op de goedkope woningen, maar na een paar jaar hun spullen pakten en terugkeerden naar het zuiden. ,,Ze konden niet langer tegen de sneeuw en de eenzaamheid.''

Het station van Trondheim, met 140.000 inwoners de derde stad van Noorwegen, geldt als het knooppunt tussen zuid- en noord-Noorwegen en Zweden, en is qua levendigheid vergelijkbaar met het station van Roodeschool op zondagochtend. Alleen als er een trein aankomt of vertrekt, is er sprake van enige beweging. Vandaag rijdt er helemaal geen trein naar Zweden en met drie bejaarden reis ik per bus naar de grens. Kilometerslang volgen we de panoramaweg langs het Trondheimfjord, dat wordt omgeven door glooiende, zonovergoten hellingen met kleurige boerderijen. Ossebloedrood was kennelijk in de aanbieding bij de plaatselijke doe-het-zelfmarkt. Dagen later leer ik van een medepassagier dat de rode kleur wordt veroorzaakt door een mengsel van olie en koperpoeder, dat de huizen beschermt tegen de elementen.

Hoe dichter we de Zweedse grens naderen, hoe leger het landschap wordt. Af en toe een waterval of een meer, waarin naaldbomen de hele dag in stille bewondering naar zichzelf staren. Enorme krachtcentrales houden hier het land draaiende. ,,Zomer en winter, wij Noren hebben altijd het licht aan, wij zijn verspillers'', had de mevrouw in de koffiebar gezegd.

De grens tussen Noorwegen en Zweden loopt dwars door bemoste velden met berken en beijsde moerassen. Het weer is omgeslagen, natte sneeuw waait langs het raam. Hier en daar de restanten van een houten hut. Dit is de provincie Jämtland, die in het noorden grenst aan Lapland. We stoppen in gehuchten die voornamelijk uit station bestaan. Veelal overbodige stops: er stapt niemand in en niemand voelt de behoefte om in deze contreien uit te stappen. Ik moet denken aan een van de grappigste monumenten ter wereld, in het Ierse Conamara: `On this site, in 1897, nothing happened'.

Tussen Ostersund en Sundsvall wordt de openbare ruimte geordender. Langs de meren staan idyllische vakantiehuisjes, gigantische houtzagerijen duiken op. Een ideaal landschap voor wie een beeld wil bij zijn New Age muziekcassetes, wild gaat kamperen of zijn zonden wil overdenken. Ideaal ook voor wie even geen neonreclame, werkvloeren of andersoortige horizonvervuiling op zijn netvlies wenst. Zelf verlang ik na drie dagen peilloze introspectie hartstochtelijk naar de bewoonde wereld. Naar fun en files. Naar haast en herrie.

Op de laatste etappe van mijn reis, tussen Stockholm en Oslo, ontvouwt zich opnieuw een landschap vol meren, idyllische steigertjes, bossen en weilanden. Het landschap herhaalt zichzelf. Steeds meer van het prachtige zelfde. Schoonheid kan heel saai zijn. De drie boeken waarvan ik thuis nog dacht dat het onnodige ballast was, zijn uitgelezen.

De IT-manager tegenover mij heeft het ook wel gezien in Zweden. Verschil is dat hij in Karlstadt al uit de trein mag. Als ondernemer betaalt hij 82 procent belasting, beweert hij. Twee aanmeldingen bij internationale jobsites hebben hem al twintig aanbiedingen opgeleverd, de meeste in Londen. Hij wil liever naar de VS of Spanje. Om fiscale redenen heeft hij met vrienden onlangs een compleet Zweeds dorp gekocht. Een halve eeuw geleden woonden er nog vijfhonderd mensen, nu nog zes bejaarden. Hij kon twee grote en drie kleine huizen kopen voor 50.000 gulden. Want er is niemand meer te vinden die op het platteland wil wonen. ,,Na Karlstadt komt een van de mooiste landbouwgebieden van Zweden'', meldt de IT-manager bij wijze van troost als hij op zijn plaats van bestemming is. De landbouw zie ik zo gauw niet, maar het gebied is inderdaad prachtig. Ik zie de eerste vos van mijn leven. En twee hazen in de regen. En een lege kermis, waar een vikingschip heen en weer zwaait.