TROU MOET BLYCKEN

Op het toneelspel

Wie 't menslijk leven in het klein wil na zien maken,

Vermaak in leugens schept, en ongemeende zaken

Wil horen uit de mond van een die, slechts in schijn,

Een held, een vorst, een boer, en al te zaâm kan zijn;

Wie zulk bedrog bemint, dat lachend ons doet wenen,

En wenend heimlijk lacht, daar 't onheil ras verdwenen

En heel vergeten is, wijl men 't niet meer gelooft;

En voor een andre keer een nieuw bedrog belooft;

Die zie 't toneelspel aan; daarin wordt ons gegeven

Een duidelijk kopij van het verganklijk leven.

Men lacht, men weent er, en men roemt er op zijn staat;

Men toont er woede en drift, en jaloezij en haat,

Gemengd met deugd en liefde, en trouw en brave zeden;

De troon, het huis, de hut, met hun toevalligheden,

De mens van oost en west, van zuiden en van noord,

Door vrede vergenoegd, of door de krijg verstoord;

Men ziet er voor zijn oog, wat ooit historie-blaren

Van 't menselijke hart het mensdom openbaren;

Men zingt, men danst er, en men werkt met list en kracht,

Waar men een vijand vreest of zijn geweld veracht,

Men ziet er wijsheid, deugd, verstand en zuivre zeden,

En ondeugd, loos bedrog en bijgelovigheden

Steeds onderling in strijd; maar, eindlijk, tot besluit,

Rolt men 't gordijn ter neêr, en blaast de lampen uit.

Pieter Boddaert Junior (1766-1805)

`Boddaert is onze belangrijkste erotische dichter', schrijft Hans van Straten kortaf in zijn Razernij der liefde, een bloemlezing uit de `ontuchtige poëzie in de Nederlanden'. Boddaert is voor de Nederlanden in elk geval zeer gewaagd. Ik herinner me een vrij lang gedicht van hem waarin een meisje voor haar huwelijksnacht haar vrijer bespiedt, terwijl hij tegen een boom urineert. Het kan ook tegen een muur zijn geweest, hoe het ook zij, ze schrikt van de grootte van zijn dinges en vraagt zich af of zo'n enorme dinges wel in haar kleine dinges zal passen. Ze biecht haar vrees op tegenover haar vrijer en hij stelt haar gerust door haar wijs te maken dat hij over drie dingesen beschikt en dat zij daarnet toevallig de grootste uit het rijtje heeft gezien, Dinges Nummer Drie. Vanzelfsprekend zal hij bij hun eerste vrijpartij gebruik maken van Dinges Nummer Een, een heuse dreumes, zodat zij zich geen zorgen hoeft te maken. Vrijpartij volgt. Dame krijgt dankzij Nummer Een de smaak te pakken om, via Nummer Twee, naar Nummer Drie te verlangen. Ze smeekt zelfs om de Drie Dingesen Tegelijk, maar dan wil de vrijer eerst slapen. Zo ongeveer ging het gedicht. Je zal zoiets bij Bilderdijk of Tollens niet snel tegenkomen.

Boddaert was nogal een losbol en drinkebroer, als we de inleider van zijn Poëtische en Prozaïsche Portefeuille mogen geloven. Een advocaat-bohemien, de bordelen van Amsterdam frequenterend en zijn drankrekeningen betalend met ter plaatse geïmproviseerde gedichtjes. Een harde smak op het ijs werd hem fataal. Een legendarische straatfiguur, wiens naam de hele negentiende eeuw lang een merknaam zou blijven voor expliciete schuine poëzie. De Erotische Portefeuille van Boddaert kocht je onder de toonbank. Anonieme uitgevers brachten in heruitgaven gedichten onder die nooit door Boddaert waren geschreven, maar die in hun Boddaert-jasje toch echte Boddaerts werden.

Zijn mooiste schuine gedicht staat eigenlijk diep verstopt in de verder wat al te luimige inleiding cum uitlui. De dichter presenteert het in de vorm van een raadsel

Ik ben een kleine dwerg, mijn lengte

houdt geen span,

Een poez'le vrouwenhand kan mij

zeer licht omvatten;

Mijn teder hoofd is kort: 'k ben licht

van hals, en kan

Mijn werk doen op zijn tijd, gelijk de

maartse katten.

Ik kruip in 't vochtigst hol, zo

donker als de hel,

En vind in 't bed vermaak, waar

men een gat kan boren.

Drie letters zijn mijn naam, hij

eindigt met een L.

Zo kan de nauwste weg mij

't allermeest bekoren.

Wat kan dat nu zijn? Toch zeker niet weer een dinges? Het juiste antwoord luidt: Een mol.

In het hiernaast staande gedicht verkeert onze verheerlijker van het

Kussen, stoeien, woelen, zwoegen

voor de afwisseling in een peinzende stemming. Ernstige gedichten vormden in Boddaert-verzamelingen een alibi, je kon er altijd snel naar toe bladeren als je niet betrapt wilde worden. Daarom stijgen ze dikwijls niet boven het sjabloonachtige uit. Ook Op het toneelspel is nogal sjabloonachtig, maar het gaat er om hoe je je thema varieert. En Boddaerts manier van variëren mag er zijn.

Hij had ook iets met toneel. Hij had zelf een bewerking van de Macbeth gemaakt. `Mijn slachterswinkel wordt weer eens opgevoerd', kon iemand hem horen beweren. En hij was outsider genoeg om te beseffen dat alle mensen toneelspelers waren. Niemand is zich zó bewust van het spel van de vergankelijkheid en de vergankelijkheid van het spel als de erotomaan.

In twee zinnen (de punt komt na regel tien) staat hier dat het toneel bedrog en veinzerij is. Elk verdriet wordt snel vergeten omdat er weer een andere illusie in aantocht is. Net als in het leven. Punt.

Dan gaat de schommelbeweging van het gedicht de andere kant op. De bewering uit het eerste deel wordt gespiegeld. Er staat nu dat het leven toneel is. Een mengeling van snel op elkaar volgende emoties en sensaties. We kunnen beschikken over de hele rekwisietenkamer, de hele santenkraam van tranen en genot, van bedrog en goedgelovigheid. Alle conflicten zijn op afroep beschikbaar. Maar uiteindelijk, net als in het eerste deel van het gedicht –

Rolt men 't gordijn ter neêr, en blaast de lampen uit

fini, doek. Einde van het lied. Het dwingende ritme van de talrijke opsommingen maakt dat deze bespiegeling overtuigend klinkt. Ook in zijn serieuze poëzie was Boddaert geen kwezel.