Tjielp

Nooit gedacht dat een mus verzot kan zijn op gebakken sliptong, Schotse zalm en champagne. En al helemaal niet dat een huismus tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londense schuilkelders vermakelijke optredens verzorgde. Toch meende ik dankzij Edith Sitwells bundel English Eccentrics (1933) vertrouwd te zijn met Britse malligheid. In dat nog altijd geestige, in 1958 aangevulde overzicht van beminnelijke mafkezen, ongevaarlijke idioten en te mijden grappenmakers schittert Clare Kipps door afwezigheid. Zij publiceerde in 1953 de biografie van een opmerkelijke mus: Sold for a Farthing.

Kipps trof op 1 juli 1940 op haar stoep een ogenschijnlijk dood, uit het nest gegooid of gevallen, enkele uren oud mussenjong aan. Hulpeloos, veerloos, blind, koud. Natuurlijk ontfermde ze zich over het hoopje ellende: `Feeling that if a new-born infant is left outside one's doorstep something should be done about it.' Zij wikkelde het onfortuinlijke schepsel in een lap stof, wrikte met een lucifer het snaveltje open, liet om het uur een droppel warme melk naar binnen sijpelen en schoof tegen de avond wat in melk geweekt brood in het keeltje.

De volgende ochtend hoorde zij `an incredibly thin yet happy sound' – de pianospelende weduwe had er een nazaat bij. Omdat de vondeling voortdurend voeding en zorg verlangde, nam ze hem warm verpakt mee naar haar werk als burgerwacht. Drie dagen later opende het troetelkind de ogen en accepteerde zonder morren mevrouw Kipps als moeder. Vanzelfsprekend was zij van plan hem, zodra hij voor zichzelf kon zorgen, vrij te laten. De baby bleek echter gehandicapt: zijn rechter vleugel bracht de Hitlergroet en zijn linker poot was misvormd. In het vrije veld had hij geen schijn van kans.

Beiden overleefden de bombardementen tijdens de Blitzkrieg; in het hoofdstuk `His life as an Actor' beschrijft de biografe hoe de mus in de schuilkelders `a never-failing delight' was voor angstige kinderen en volwassenen. Clarence kon zingen, een speelkaart tien keer in zijn snavel wentelen, jongleren met lucifers en uit het haar van zijn baasje gegapte haarschuifjes. `I can say with complete truth that no sparrow ever served his country so faithfully and so efficiently as he did in those terrible months.'

Clarence verging het beter dan Grumpke, een haarloos muizenjong, op een snikhete zomerdag in 1990 aangetroffen op de stoep van mijn atelier. Grumpke (m/v) was net zo fragiel en in de steek gelaten, blind en onschuldig. Met een grashalm als rietje druppelde ik spuug en melk in zijn keel en vervoerde hem gewikkeld in een lapje fluweel en gevat in een gloeilampverpakking per trein naar de hoofdstad. De volgende ochtend belde ik Artis om te vragen wat wel of niet te doen en werd na enig geëmmer doorverbonden met een vakman die schaterend beloofde dat hij Grumpke volgaarne aan de slangen zou voeren. Vier dagen later stierf de vondeling.

Dankzij Jac. P. Thijsse wist ik iets van het beperkte vocabulaire van de huismus. `Het tempo is aangegeven door een gewone breuk: 2 beduidt 8 lettergrepen per seconde':

Sjielp, sjielp, sjielp... (2) = gewone lokroep

Tjiep, tjielp, tjielp... (2) = lokroep tijdens het vliegen

Terrr....(1)... = gevaar

Tellelellelelrelel...(1/8)...= groot gevaar

Tell, tell, tjiep, sjielp... (2) = twist

Toerrr... (1) = tevredenheid'

De biografe meldt dat haar troetelmus kon tierelieren als een nachtegaal. `I always think that he learned to thrill from Chopin's Berceuse, but that of course is impossible to prove.' Pogingen om Clarence meer dan twee liederen te laten zingen faalden. Zij hing een spiegeltje in de kooi, waarvan het deurtje altijd openstond, en een koperen belletje, draaide grammofoonplaten, zette de radio aan. Hij gaf echter de voorkeur aan het geluid van een stofzuiger en dat van een ratelende typemachine.

In zijn elfde (!) levensjaar viel Clarence regelmatig van zijn stokje; hij kreeg last van appelflauwtes, hysterie, constipatie en veeruitval. De inderhaast gewaarschuwde dierenarts adviseerde een theelepel champagne. `The next morning – and let all Bacchanalians take note of it – there was a decided improvement.' Twee keer per dag en twee weken lang kreeg Clarence een neutje; zijn ogen begonnen weer te glanzen en de veren groeiden aan. Maar zijn jeugdig elan keerde niet terug, al deed hij nog steeds elke dag vlijtig gymnastiekoefeningen. Hij zong en speelde niet meer, zat de bromvliegen niet langer na, leefde uitsluitend op water, in melk geweekt brood, zacht fruit en gemalen groente.

Clarence stierf op 23 augustus 1952 in de palm van zijn moeders hand. Hij was twaalf jaar, zeven weken en vier dagen oud.

    • Peter Yvon de Vries