Stertenor Enrico Caruso zonder geluid

Op een bovenverdieping in Brooklyn huist het Enrico Caruso Museum, waar Aldo Mancusi alles over zijn idool heeft bijeengebracht.

Uit de jukebox klinkt de stem van de grootste tenor aller tijden, Enrico Caruso. Hij zingt een stukje Tosca van Puccini. ,,Ondanks de digitale cd's van tegenwoordig is dit toch de meest authentieke manier om Caruso te horen'', zegt Aldo Mancusi, eigenaar en beheerder van het Enrico Caruso Museum in Brooklyn.

Mancusi is bezeten van Caruso en verzamelt al vijfendertig jaar memorabilia, foto's en opnamen. Langzaam groeide zijn collectie uit tot iets waar fans van Caruso (1873-1921) speciaal voor naar Brooklyn kwamen.

,,Ik ga nog steeds door met verzamelen'', aldus Mancusi, die in 1992 van zijn bovenverdieping een museum maakte. Je kunt er een pijp, twee stropdassen en een paar schoenen van de Napolitaanse zanger zien, maar ook de juwelen die Caruso aan zijn maîtresse schonk. Verder zijn er medailles, foto's, posters, kostuums, muziekdozen, grammofoons en een van de drie dodenmaskers van de zanger.

Caruso is ondanks zijn vroege verscheiden nog steeds een idool, volgens velen de grootste operatenor aller tijden. Hij werd geboren in Napels. Zijn vader had een metaalgieterij en nam zijn zoon, die een hekel had aan school, in de zaak. De jonge Enrico zong naast zijn werk, hoewel zijn vader dat maar tijdverspilling vond. Zijn moeder gaf hem geld om zanglessen te nemen.

De zanger boekte al jong successen en maakte in 1899 een tournee door Zuid-Amerika. Mancusi laat trots de programmaboekjes zien. In 1903 volgde New York en die stad bleef hij trouw tot zijn dood. Zijn succes was zo groot dat in het Caruso Museum allerlei brokstukken liggen van het oude Metropolitan Opera House, alsof de oude sierkrullen en pilaartjes de bezoeker dichter bij Caruso brengen. ,,Elk jaar kwam hij in New York'', aldus Mancusi. ,,Soms toerde hij door het land, andere keren ging hij naar Mexico of terug naar Europa voor een tournee daar.''

Caruso was behalve operazanger ook cartoonist. Hij stuurde zijn bijdragen altijd naar het in de VS verschijnende Italiaanse blad La Follia di New York, dat geredigeerd werd door een oude vriend. Politici, maar ook musici, moesten het in de platen ontgelden. Caruso, die ook veel zelfportretten maakte, had een rake pen maar beschouwde het tekenen als een hobby en de bijdragen aan La Follia als een vriendendienst. Als er weer eens genoeg tekeningen waren, verscheen er een bundeling.

De ouders van Mancusi emigreerden allebei omstreeks 1920 uit Zuid-Italië en leerden elkaar kennen in New York. ,,Mijn vader was gek op opera'', vertelt Mancusi. ,,Hij had honderden platen, waarvan zeventig van Caruso. Dat was het begin van mijn verzameling.'' Mancusi is inmiddels gepensioneerd eigenaar van een bouwbedrijf. Hij heeft plannen om een Caruso-museum op Manhattan te vestigen, maar niets is nog concreet. Ook is hij bezig om een Caruso-museum in Napels van de grond te krijgen, maar dat lijkt zelfs nog verder weg. ,,Ik heb een hutkoffer met spullen naar Napels gestuurd voor een Caruso-museum'', zegt hij opgewonden. ,,Het enige wat ze ermee deden was een tijdelijke expositie opzetten.''

Caruso kampte de laatste jaren van zijn leven met kwaaltjes. Nadat hij een keer instortte tijdens een optreden in Brooklyn, besloot hij rust te nemen en naar Italië te gaan. ,,De Napolitaanse zon zal me goed doen'', zei hij. Mancusi kan zich er nog over opwinden. ,,Dat had hij nooit moeten doen! De reis was vermoeiend en de medische voorzieningen hier waren beter dan in Napels'', zegt hij. Caruso werd onwel in het Victoriahotel in Sorrento en besloot specialistische hulp te zoeken in Rome. Hij kwam niet verder dan Napels en stierf in het Vesuviushotel.

In een theatertje achter in het museum, vertoont Mancuso filmmateriaal. Opnamen uit Caruso's leven, maar ook de twee speelfilms die hij maakte. In de begintijd van de film werd alles uitgeprobeerd. In de stomme film My cousin zien we Caruso zich opmaken voor de rol van Pagliacci in de gelijknamige opera. Hij treedt op voor een volle zaal. Volgens Mancusi zijn het de enige filmopnamen van Caruso in de kleedkamer en op het podium. ,,De film zelf flopte'', zegt hij. ,,Natuurlijk. Hoe kan je nu een film hebben van Caruso zonder geluid?''

Enrico Caruso Museum, 1942 East 19th Street, Brooklyn, NY 11229. Tel. (718)368-3993. Toegang 5 dollar. Geopend alleen op afspraak.