Repressie stilt het rechtse geweld niet

Het rechts-radicale geweld dat in Duitsland om zich heen grijpt, mag geen aanleiding zijn om burgerlijke vrijheden in te perken. Het zou beter zijn wanneer de democratische partijen de huidige maatschappelijke problemen bij de hoorns vatten, menen Martin Altmeyer en Daniel Cohn-Bendit.

Tegen rechts-extremisme helpen geen repressieve maatregelen, maar alleen het politieke debat. Daartegen is het premoderne rechtse denken niet opgewassen.

Het huidige debat over de inperking van het nieuwe rechts-radicalisme schiet op ten minste drie punten tekort. In de eerste plaats wordt met het pedagogische tweesporenbeleid van repressie en preventie een dubieus opvoedingsmodel gehanteerd, dat ervan uitgaat dat de belhamels van het rechtse geweld merendeels slecht opgevoede pupillen zijn, die met recht en orde of met sociale pedagogiek moeten worden aangepakt.

In de tweede plaats gaat de discussie voorbij aan het feit dat het rechtse denken verankerd is in de alledaagse cultuur, en wordt buiten beschouwing gelaten dat hier en daar in de samenleving een premodern mens- en wereldbeeld is blijven bestaan.

Ten derde wordt door de huidige roep om uitsluitingen en verboden gemakkelijk uit het oog verloren dat er geen rationele discussie gevoerd is over zaken als het immigratie- en asielbeleid, die in de hedendaagse samenleving van groot belang zijn. Juist dát verraadt een gebrek aan vertrouwen in de parlementaire democratie en de mogelijkheden tot mentaliteitsverandering.

Ook de jonge rechts-radicaal – al lijkt zijn levensgeschiedenis nog zo treurig en zijn karakterontwikkeling een fiasco – kan praten en overleggen en is rechtsbevoegd. Hij bevindt zich geenszins in de premaatschappelijke toestand van een Kaspar Hauser of de postmaatschappelijke toestand van iemand die ontoerekeningsvatbaar is verklaard. Maar hij praat niet, hij overlegt niet en hij voert geen gedingen – hij doet. In het `affakkelen' van asielzoekerstehuizen, het `rammen' van daklozen en de moorddadige jacht op zwarten heeft hij een vorm van heilige actie gevonden waarmee hij zijn geestelijk evenwicht bewaart en zich van publieke aandacht verzekert. De hulpeloosheid en machteloosheid van zijn slachtoffers verschaffen hem een superieur gevoel van macht en mannelijkheid.

In de strijd tegen de complexiteit van de moderne samenleving en de kosmopolitische openheid van de wereld beleven wij de opkomst van nieuwe mannenbonden en broederschappen, die zich richten naar archaïsche rolpatronen. Scheppen de gezamenlijke mensenjachten, moorden en brandstichtingen niet een oerband van bloed, zweet en vuur? Het zijn de kinderen van onze maatschappij die hier de stoere kerels uithangen en de grenzen van de staat op de proef stellen. Niet alleen de grenzen van de repressie en de bijstand, maar ook de grenzen van onze communicatieve vaardigheden en de bereidheid om het op te nemen voor een beschaving die conflicten vreedzaam beslecht en die het geweldsmonopolie aan de overheid heeft toevertrouwd. Tegelijkertijd moet onderzocht worden of de wettige organen van de overheid hun werk wel doen zonder te discrimineren – of behandelen ook zíj buitenlanders en mensen met een andere huidskleur weleens als tweederangsmensen?

Het premoderne wereld- en mensbeeld van het rechtse clubje is geen randverschijnsel dat zich zomaar laat buitensluiten of weer laat inlijven – het huist in het hart van de alledaagse cultuur. Een voorbeeld. Toen de abominabele prestaties van de Duitse voetbalelite tijdens het Europees kampioenschap het verval van spelkunst en spelcultuur in vergelijking met andere teams aan het licht bracht, kwam om de druk van de ketel te halen meteen een opgewonden nationaal debat op gang over de teloorgang van `Duitse' deugden als strijdbaarheid, inzet en overwinningsdrang.

De voetballer Felix `Quälix' of `Brüllix' Magath, eens een subtiele balkunstenaar, nu een autoritaire coach, mocht zonder dat iemand hem tegensprak, zijn theorie over de genetische voorwaarden voor balvaardigheid onderbouwen met zijn eigen half-Caribische afkomst – en de inheemse voetballers toevoegen dat zij alleen onder autoritaire leiding en met militaire discipline tot prestaties te brengen zijn. Magath had ons al eens eerder een kijkje op deze premoderne filosofie en haar antropologische grondslagen gegund, toen hij uit de doeken deed dat de mens pas in doodsangst alle reserves kan aanspreken.

Hierbij aansluitend – en alweer zonder dat iemand er wat van heeft gezegd – presenteert zijn club, waarbij vroeger Okocha, Yeboah en Uwe Bein de hoge kunst van het spel celebreerden, zich met grote billboards waarop het in de strijd besmeurde shirt van de aanvoerder in het middelpunt staat. In de tekst wordt afgerekend met de `geboren' aftroggelaars, huilebalken en lijntrekkers. De eveneens `geboren' viriele strijder moet de strijd tegen de dreigende degradatie leiden – oorlogsmetaforen, Männerphantasien.

Aangezien het rechtse denken hier en daar in de samenleving is verankerd, zullen wij wel moeten accepteren dat het zich ook in Duitsland wellicht met succes tot een politieke partij zal formeren. De historische ervaring met het nationaal-socialisme vrijwaart dit land evenmin voor een herhaling van de fascistische breuk met de beschaving, als de ervaring met collaboratie en de Vichy-regering in Frankrijk als tegengif tegen het Front National heeft gediend.

Van deze partijen zullen wij wél moeten verlangen dat zij recht en grondwet respecteren en dat wij geen brandstichters- of moordenaarsbendes zullen tolereren; een verbod daarentegen zou in de hand werken dat rechtsradicale vagebonden verspreid in actie komen. De staat moet alert en `sterk' zijn, de slachtoffers beschermen en de daders vervolgen – maar binnen het kader van de liberale rechtsstaat: zonder beroepsverboden, zonder snelrecht en zonder inperking van de demonstratievrijheid. In plaats daarvan moet de politieke discussie met deze partijen niet worden geschuwd.

De ervaring leert dat, mits moderne maatstaven worden aangelegd, rechts-radicale partijen tegen deze opgave niet opgewassen zijn, omdat het premoderne denken geen aanknopingspunten biedt om de huidige maatschappelijke problemen op te lossen. Daarom is het zeer kwalijk als de democratische partijen uit vrees voor Duits-chauvinistisch ressentiment het vraagstuk van de migratie, dat immers tot de economische, sociale en culturele realiteit behoort, niet bij de hoorns vatten. Pas wanneer beide inperkingen worden vermeden – die waarbij het immigrantendebat beperkt wordt tot de nuttige immigranten, en het asieldebat tot de nobele asielzoekers – zal het mogelijk zijn om bij het bouwen aan de toekomst xenofobie en racisme op passende wijze te benaderen als problemen van de mentaliteit van de natie. Dan zullen de autoritaire krachten kunnen worden teruggedrongen.

Martin Altmeyer is psycholoog. Daniel Cohn-Bendit zit voor de Franse Groenen in het Europees Parlement.

© Die Tageszeitung

    • Daniel Cohn-Bendit
    • Martin Altmeyer