Onbekende kampioenen

Ook enthousiaste bridgers weten nauwelijks topspelers te noemen. Toch nemen sportkoepels en sponsors bridge als topsport serieus.

IS BRIDGE EEN ECHTE sport? Bridgers die in de hoogste afdelingen spelen, vertellen graag hoe zwaar hun sport is en wat ze er allemaal voor moeten doen en laten. Een internationaal kampioenschap (EK, WK of Olympiade) komt voor spelers al gauw neer op acht uur per dag kaarten. Veertien dagen lang. Een competitieweekeinde, en daar zijn er nogal wat van, betekent twaalf uur doorspelen.

De Nederlandse Bridge Bond is aangesloten bij het NOC*NSF, wat betekent dat bridge mag mee-eten uit de subsidieruif. Meedoen aan een kampioenschap in den vreemde gaat gepaard met hoge kosten. Het NOC*NSF ondersteunt een dergelijke uitzending ruimhartig. Erkenning dus.

Dat geldt ook voor de Olympische beweging. Bridge staat op de drempel van Olympische erkenning. Sinds kort wordt er op internationale kampioenschappen op doping gecontroleerd en tijdens de Winterspelen van Salt Lake City in 2002 zal bridge zo goed als zeker meedoen als demonstratiesport. Binnen het Internationaal Olympisch Comité (IOC) is Marc Hodler, ook bekend van zijn kruistocht tegen corruptie binnen het IOC, de belangrijkste pleitbezorger voor de toelating van bridge tot de Olympische gemeenschap. Per slot speelt de Zwitser zelf ook bridge. Voor alle duidelijkheid: een Olympiade, zoals die van Maastricht, staat formeel los van de Olympische Spelen.

Bij de bridgebond wordt voortdurend de klassieke discussie gevoerd: hoeveel geld moet er worden gealloceerd voor de topsport en hoeveel voor de breedtesport? Het budget wordt voor het overgrote deel gedragen door de leden van de bond. Zij betalen `getrapt'. Ze zijn lid van een aangesloten club, die jaarlijks een gulden of dertig per lid afdraagt aan de bond. Het komt er op neer dat een dikke honderdduizend recreatieve spelers een gedeelte van hun bijdrage zien verdwijnen naar de kas van een kleine honderd topbridgers. En dat terwijl het gemiddelde lid van de bond niet of nauwelijks affiniteit heeft met topspelers. Vraag iemand van de bridgeclub uit Oldenzaal om een paar Nederlandse wereldkampioenen te noemen en je mag blij zijn als hij of zij er eentje weet. Terwijl we er zeventien hebben, van wie er zestien nog in leven zijn.

De begroting voor topbridge wordt voorts gevoed door sponsors. Bedrijven en (zeer vermogende) particulieren willen zich om uiteenlopende redenen afficheren met topbridge. Veel bridgers zijn werkzaam in de automatiseringsbranche en in de financiële wereld, dat verklaart de belangstelling uit die hoek.

In de jaren negentig ontving de bridgebond voor miljoenen aan sponsorgeld. Een groot gedeelte van dat geld ging naar topbridge. Op dit moment heeft de bond te kampen met een terugslag omdat een aantal grote sponsors afscheid heeft genomen. Bij de bond is men niet al te somber gestemd, omdat men denkt dat bridge voldoende aantrekkingskracht houdt op het bedrijfsleven.

Binnen het topbridge gaan stemmen op om een aparte sectie op te richten. Die zou beter in staat zijn de belangen van de topbridgers te behartigen dan een bridgebond met een grote verscheidenheid aan aandachtsgebieden. De eerste contacten zijn gelegd. Ook met de bond, die vooralsnog de kat uit de boom kijkt. Toch biedt zo'n aparte sectie de bond ook voordelen. Zijn zorg voor topbridge wordt voor een belangrijk gedeelte weggenomen. De verantwoordelijkheid zal in een nieuwe constellatie worden gedragen door de direct belanghebbenden.

En er is nog iets anders. De Wereld Bridge Federatie heeft zich al eens laten ontvallen dat het de bijdragen voor het meedoen aan internationale kampioenschappen wil koppelen aan het ledental van een nationale bridgefederatie. Tot nog toe betaalt ieder land hetzelfde bedrag of het nu 100 of 100.000 leden rijk is. Als die koppeling doorgaat, heeft dat voor Nederland een tragikomische kant. Jarenlang heeft ons land er voor geijverd om 100.000 leden binnen te halen — nu dat gelukt is, krijgt het daar een peperdure rekening voor gepresenteerd. Om een kleine, aparte sectie topbridge te laten meedoen aan internationale evenementen komt dan niet eens zo slecht uit.

    • Jan van Cleeff