Iedereen is goed in het nakaarten

Bridge draait om inzicht, vaardigheid, bluf en bedrog. Een goede partner is onmisbaar. Het beste advies: denk eerst na, hou het plezierig, en maak het niet te ingewikkeld.

BRIDGE HEET EEN DENKSPORT te zijn. Maar hoe denken bridgers? Het antwoord kan kort zijn: daar valt doorgaans geen peil op te trekken. Afgaande op de talloze misverstanden, afgrijselijke blunders en gemiste kansen, moet het in de bovenkamer van de doorsneebridger wel een behoorlijke rommelzolder zijn. Tegelijkertijd maakt dat het spel ook zo fascinerend, want al spelend hou je bijna altijd het gevoel dat er ergens een betere oplossing ligt. En meestal is dat ook zo.

Inzicht, vaardigheid, bluf, list en bedrog — daar draait het allemaal om bij bridge. En omdat je het met z'n tweeën doet, is de keuze van een geschikte partner cruciaal. Lopen ambitie, temperament en speelsterkte te zeer uiteen, dan kun je maar beter omzien naar een ander. Dat scheelt een boel frustraties en minder verheffende taferelen. ,,Veel partnerships gaan aan gekanker te gronde. Bridge is genadeloos. Je moet er wat eelt voor op je ziel hebben', zegt bridgekenner Cees Sint, zelf in de jaren zeventig veelvoudig Nederlands kampioen in de sterkste competitie (meesterklasse viertallen).

Wie bridge heeft uitgevonden is niet bekend, ook niet waar het precies vandaan komt. Er liggen Amerikaanse, Britse, Franse, Russische en Turkse claims op de oorsprong van het spel. Feit is dat Harold S. Vanderbilt zich in 1925, op weg van San Francisco naar New York aan boord van het stoomschip `Finland', stierlijk verveelde. Hij klutste een paar bestaande kaartspelen (Whist, Plafond) door elkaar, hing er een eigen puntentelling aan en verschafte aldus zichzelf en zijn vrienden een boeiend tijdverdrijf. Het zou de basis worden van het moderne bridge. ,,Om het goed te spelen moet je het geheugen van een olifant, het lef van een leeuw, de vasthoudendheid van een pitbull en de moordlust van een wolf hebben', zou Vanderbilt later zeggen. Maar weinig bridgers zijn begiftigd met die combinatie. De meesten zijn vooral goed in nakaarten.

Ook in de betere kringen in Nederland sloeg Vanderbilts variant aan. Dat kwam in 1930 tot uitdrukking in de oprichting van de Nederlandse Bridge Bond (NBB). Het zou tot de jaren zeventig duren voordat bridge zijn elitaire karakter zou kwijtraken. Tussen 1970 en 1990 steeg het aantal leden van clubs die bij de NBB zijn aangesloten van 20.000 naar 80.000. Nu zijn dat er meer dan 110.000. Hun gemiddelde leeftijd is bijna zestig (mannen twee jaar jonger dan vrouwen) en het merendeel (57 procent) is vrouw. Daarnaast, schat men, heeft nog zeker een half miljoen Nederlanders de beginselen van bridge onder de knie. Zij spelen thuis en in clubs die niet bij de bond zijn aangesloten. Of schuiven aan bij kroegendrives, kiezen een bridgearrangement in een luxe hotel of boeken een buitenlandse bridgereis — drie actuele trends die de groeiende populariteit van het spel onderstrepen.

Bridge is goedkoop; het lidmaatschap van een club ligt gemiddeld rond de 100 gulden. Maar dat betekent niet dat de drempel laag is, want meespelen vergt wel enige voorbereiding. ,,Als je naar volleybal kijkt', zegt NBB-secretaris Gijs van der Scheer, ,,en je bent niet al te dom, dan snap je na verloop van tijd wel dat die bal over dat net moet. Naar bridge kun je dagenlang zitten kijken, maar als niemand je wat uitlegt, dan snap je er geen jota van.'

De doorbraak naar een groter publiek dankt bridge vooral aan de komst van eenvoudige lesmethodes en de opleiding van speciale leraren. Aan de wieg daarvan in Nederland stonden wiskundedocent Cees Sint en bridgejournalist Ton Schipperheyn. Samen schreven zij sinds 1977 meer dan zestig bridgeboeken (met titels als Van Start tot Finish, Spelenderwijs, Spel en Tegenspel), waarvan de totale oplage inmiddels meer dan 1,2 miljoen exemplaren beloopt. Daarin beschrijven de auteurs een helder biedsysteem (in de wandeling Nederlands Acol), dat tegenwoordig aan vrijwel alle bridgetafels in Nederland wordt gepraktiseerd.

Bridgers denken maar al te vaak dat ze de kostelijke rijkdom van het spel kunnen vangen door zoveel mogelijk onderlinge afspraken (conventies die op een zogenoemde systeemkaart aan de tegenstanders moeten worden meegedeeld) te maken. Klinkklare onzin, vindt Sint. ,,Bij elke conventie lever je ook mogelijkheden in. Veeleer geldt: hoe meer conventies, hoe meer misverstanden. De lengte van de systeemkaart is dikwijls omgekeerd evenredig met het resultaat van de gebruikers.'

Al meer dan twintig jaar fungeert Sint als een soort ombudsman voor bridgegeschillen. In het maandblad van de bridgebond bestiert hij de populaire rubriek Vragenbus. Daarin gidst hij bridgend Nederland geduldig maar gedecideerd (,,Passen op dit informatiedoublet lijkt nergens naar') door het labyrint van bieden en afspelen. De drie constanten in zijn adviezen zijn: denk eerst na, hou het plezierig, en maak het niet nodeloos ingewikkeld.

Het pionierswerk van Sint en Schipperheyn heeft er ontegenzeggelijk toe bijgedragen dat het spelpeil is verbeterd. Maar met internationale successen is Nederland tot dusver vrij karig bedeeld. Met zes wereldtitels (paren 1966, jeugdteam 1987, open team 1993, vrouwenparen 1994, seniorenteams 1994 en vrouwenteam 2000) houdt het op.

Hoe kan dat? Nederland is na de Verenigde Staten (160.000 georganiseerde bridgers) de grootste bridgenatie ter wereld. Nederlandse topspelers, zo luidde de diagnose (opgetekend door André Boekhorst in Van smoking tot spijkerbroek bij het 65-jarig bestaan van de NBB), wisten allemaal wel hoe ze een kaartje moesten leggen, maar het spel werd te zeer vanuit een amateuristische opvatting benaderd. ,,Te weinig discipline, te weinig ernst en ook te weinig kille logica.'

Om dit euvel te verhelpen trok de bond in 1978, met hulp van sponsor Volmac, een wereldberoemde crack aan: Benito Garozzo, lid van het vermaarde Bleu Team dat in de jaren vijftig en zestig grossierde in wereldtitels en zo de hegemonie van de Verenigde Staten doorbrak. Bijna drie jaar lang kwam Garozzo elke maand een weekeinde naar Nederland om de vaderlandse top mores te leren. Het leverde op de Olympiade van 1980 in Valkenburg een bronzen plak op voor het mannenteam.

De Garozzo-formule is allang weer verlaten. Er is simpelweg onvoldoende geld voor. ,,Bridge is een deelnemerssport, geen toeschouwerssport. Onze mediaexposure is nul komma nul. Aan tv-rechten krijgen we niks binnen', zegt bondssecretaris Van der Scheer. Wel haalde de bond via relatiemarketing driekwart miljoen binnen voor de Olympiade in Maastricht. Net als in het buitenland komt anno 2000 voor topbridge in Nederland veel geld van mecenassen. Zo weten Max Abram (geldschieter van de Amsterdamse club Modalfa) en Hans Melchers (idem van 't Onstein uit Vorden) zich in Maastricht `vertegenwoordigd' door semi-profs uit eigen stal.