Herinnering aan Solferino

Solferino staat niet hoog op mijn lijst van favoriete Noord-Italiaanse steden. Die lijst wordt natuurlijk aangevoerd – daar helpt geen moedertjelief aan – door Venetië. Maar er zijn ook nog genoeg andere, zij het wat bescheidener, paarlen in de Noord-Italiaanse kroon, Bergamo bijvoorbeeld en Verona natuurlijk en Padua, al was het maar om de Scrovegni kapel, of Vicenza wegens Palladio of Pavia met zijn Certosa. Ook Como, Trente, Parma, Brescia en Mantua zijn bepaald niet zonder charme, maar Solferino, nee dat niet. Van de andere kant heeft de naam Solferino natuurlijk een magische klank. De slag bij Solferino is weliswaar qua historisch belang niet te vergelijken met die bij Waterloo of Verdun, maar het was toch een treffen dat van grote betekenis was in de geschiedenis van de Italiaanse eenwording en van de moderne oorlog.

Vandaar dat, toen wij dit jaar toch in de buurt waren, het er maar eens van moest komen. De monumenten en gedenktekens bevinden zich op twee plaatsen, want in feite ging het om twee veldslagen die zich op dezelfde dag, 24 juni 1859, op enkele kilometers afstand van elkaar hebben afgespeeld, de een bij San Martino – tegenwoordig heel toepasselijk San Martino della Battaglia geheten – en de andere bij Solferino. In San Martino staat een grote toren. Als je die hebt beklommen, kun je een onbelemmerde blik op de omringende slagvelden werpen, die er tegenwoordig prachtig bijliggen. In die toren zijn op de parterre militaire memorabilia te zien, terwijl de wanden versierd zijn met reusachtige fresco's die eer bewijzen aan koning Victor-Emmanuel en keizer Napoleon III. Er is ook een museum. Solferino heeft een soortgelijk museum, maar het meest opmerkelijke daar is het ossuarium. Ossuaria vind je weliswaar op tal van plaatsen en bij vele slagvelden, maar hier is de opstelling wel heel bijzonder, omdat een bestaande kapel opnieuw is ingericht om alle schedels en botten een goede plaats te kunnen geven. Achter het altaar zijn de wanden van top tot teen bekleed met schedels die in keurige rijen, ordelijk in het gelid, zijn opgesteld. De zijbeuken zijn gereserveerd voor eveneens zorgvuldig opgestapelde armen en benen, terwijl enkele zijkapellen plaats bieden aan complete skeletten. Een folder vermeldt dat er 1.413 schedels en 7.000 botten zijn samengebracht. In San Martino is een soortgelijke verzameling te vinden, maar daar zijn slechts 1.274 schedels te bewonderen en is het aantal botten onbekend. Er was overigens keus genoeg want er stonden in totaal meer dan 300.000 soldaten tegenover elkaar in het veld en er vielen zo'n 40.000 doden en gewonden.

De gevechten en de toestand waarin de gewonden op de slagvelden werden achtergelaten, waren zo gruwelijk dat ze grote indruk maakten op een jonge Zwitserse zakenman uit Genève die toevallig in de buurt was en een bezoek aan Solferino bracht. Hij heette Henry Dunant en schreef er een boekje over, Un Souvenir de Solferino, dat een geweldige indruk maakte. Strategische analyses treft men er niet in aan. Het ging Dunant om de evocatie van de slag zelf. Zijn beschrijvingen zijn zeer levendig, zoals wel blijkt uit de volgende passage: ,,Hier zien wij man-tot-man-gevechten in al hun gruwelijkheid en verschrikking; de Oostenrijkers en de geallieerden lopen elkaar onder de voet, slachten elkaar af op stapels bloedende lichamen, ze slaan hun vijanden neer met hun geweerkolven, verbrijzelen schedels, rukken magen open met sabels en bajonetten. Er wordt geen kwartier gegeven; het is een pure slachting; een strijd tussen wilde beesten die gek zijn van bloed en razernij. Zelfs de gewonden vechten tot de laatste snik. Als ze geen wapen meer hebben, vliegen zij hun vijanden naar de keel en verscheuren ze hen met hun tanden.''

Deze tekst maakte begrijpelijkerwijs grote indruk. Uiteindelijk leidde dit tot de oprichting van het Rode Kruis, waarvan weer een ander museum in Solferino de geschiedenis laat zien. Er zijn ook op beide plaatsen grote plaquettes aangebracht die herinneren aan het bezoek dat de Italiaanse en de Franse president in 1959, honderd jaar na de slag dus, aan deze plaatsen hebben gebracht en aan de Frans-Italiaanse vriendschap. Die Franse president was generaal de Gaulle, die toen juist weer aan de regering was gekomen. Voor hem was Solferino een vertrouwd begrip, want hij had na de oorlog zijn hoofdkwartier in Parijs gevestigd in de rue de Solferino.

In de slag – of beter dus de slagen – bij Solferino, stonden aan de ene kant de Fransen en de troepen van Victor-Emmanuel, die toen nog geen koning van Italië was maar van het Koninkrijk Sardinië dat naast dat eiland ook Piemont en enkele andere gebieden in Noord-Italië omvatte. Aan de andere kant stonden de Oostenrijkers, die toen het grootste deel van Noord- en Midden-Italië beheersten. In Italië bestond in nationalistische kringen sinds lang een dubbel verlangen: de Oostenrijkers te verjagen en de politieke eenheid van Italië tot stand te brengen. De regering van Sardinië had zich tot leider van deze beweging gemaakt en Napoleon III had haar zijde gekozen. In juli 1858 had hij in Plombières met de Sardijnse premier Cavour geheime afspraken gemaakt over een gezamenlijke actie. Frankrijk en Sardinië zouden samen een oorlog tegen Oostenrijk beginnen. Als die oorlog gewonnen was, zou er een Noord-Italiaans koninkrijk komen onder leiding van Victor-Emmanuel. Napoleon III zou als tegenprestatie Savoye krijgen. Napoleon wilde ook Nizza – het huidige Nice en omgeving – maar dat ging Cavour te ver. ,,De keizer trok heftig aan zijn snor'', noteerde Cavour, ,,maar liet de zaak verder rusten''.

Zo ontstond deze Italiaanse campagne en na de overwinning bij Magenta – een andere bekende straatnaam in Parijs – kwam die bij Solferino. De Oostenrijkers verloren de slag, maar Cavour kreeg niet wat hem beloofd was, want Napoleon III kwam zijn afspraken niet na. Daarvoor waren verschillende redenen. Om te beginnen was hij bezorgd geraakt over de revoluties die hier en daar in Italië waren uitgebroken. Ook was hij bang voor de reactie van Pruisen. Bovendien was het, ondanks de overwinning, wel duidelijk dat de tocht naar Wenen geen militaire wandeling zou worden. En ten slotte was hij, net als Dunant, van afschuw vervuld geraakt over wat hij op de slagvelden had gezien.

Zonder Cavour te raadplegen sloot hij daarom in Villafranca, niet ver van Solferino, een akkoord met de Oostenrijkse keizer Frans Jozef. Dit hield in dat Oostenrijk een groot deel van zijn invloed in Noord-Italië zou behouden. De Italianen waren diep verontwaardigd en Cavour nam uit protest ontslag. De Italiaanse eenheidsbeweging zette echter ondanks deze tegenslag toch door. Cavour keerde in de regering terug en in 1866 werd Italië een koninkrijk. Frankrijk kreeg uiteindelijk toch Savoye en Nizza: `To the victors the spoils'.

    • H.L. Wesseling