Gemeente kan bordeel wèl weren

Opheffing van het bordeelverbod betekent niet dat gemeenten niets meer kunnen doen om de vestiging van sekshuizen te voorkomen, meent Roel Freeke.

De opheffing van het bordeelverbod is op 1 oktober een feit. Met het naderbij komen van deze datum neemt de onrust bij gemeenten toe. Ondanks dat de invoeringsdatum van de nieuwe wetgeving tot tweemaal toe is uitgesteld – aanvankelijk zou de nieuwe wet reeds op 1 maart 2000 van kracht worden – lijken er veel gemeenten te zijn die nog geen lokaal prostitutiebeleid hebben vastgesteld. Doorgaans gaat het hierbij om gemeenten die tot nu toe niet met het fenomeen prostitutie binnen hun grenzen te maken hebben gehad. Dat kan zijn omdat er zich simpelweg in het verleden niemand heeft gevestigd met een dergelijk doel, hetzij doordat de desbetreffende gemeenten succesvol zijn geweest in het weren van bordelen.

Vooral deze laatste groep gemeenten krijgt het deze maanden Spaans benauwd. Men ziet de rust en het vreedzame karakter van de gemeente verstoord door de oprukkende seksindustrie. Veel christelijke bestuurders menen bovendien dat van hen niet gevraagd kan worden met lede ogen toe te zien hoe een bordeel zich binnen de gemeente vestigt. Feit is dat de wetgever het onmogelijk heeft gemaakt om, door middel van een plaatselijk verbod, bordelen binnen de gemeentegrenzen te verbieden.

Een zogenoemde `nul-optie' is geen keuze voor de lokale bestuurders. Strafrechtsjurist R.B.G. de Korte heeft in die zin gelijk als hij in deze krant van 15 augustus schrijft dat gemeenten over de schreef gaan als zij op deze wijze bordelen willen weren. Dit wil echter niet zeggen dat gemeenten niets kunnen doen om de vestiging van bordelen te voorkomen. Integendeel: een verbod is niet mogelijk, maar er zijn legio mogelijkheden om het vestigen van bordelen te voorkomen. Deze mogelijkheden liggen onder meer in het ruimtelijk bestuursrecht.

Het ruimtelijk bestuursrecht omvat onder meer de bevoegdheid van lokale overheden tot het vaststellen van bestemmingsplannen. In deze bestemmingsplannen wordt ten aanzien van concrete locaties vastgesteld wat op deze locatie is toegestaan. Zo willen veel gemeenten geen winkels in woningen, geen garagebedrijven in winkels, en geen woningen in garagebedrijven. Mocht iemand van plan zijn om van deze vastgestelde bestemmingen af te wijken, dan kan de gemeente ontheffing verlenen op grond van artikel 19 Wet Ruimtelijke Ordening (WRO). Voor wijzigingen betreffende de bestemming van een locatie die binnen het bestemmingsplan passen, is geen ontheffing nodig. Sterker nog: een gemeentebestuur heeft niet eens de mogelijkheid om een dergelijke wijziging op ruimtelijke gronden tegen te houden.

Met de opheffing van het bordeelverbod dient zich een nieuw soort legale bedrijven, en daarmee een nieuw soort bestemming, aan. Als de vestiging van een bordeel op een concrete locatie niet binnen het bestemmingsplan past, zal in die situatie ontheffing volgens art. 19 WRO aangevraagd moeten worden. Een gemeente is dan vrij om de ontheffing niet te verlenen, mits dat op basis van een ruimtelijke ordeningsmotivatie gebeurt. Past de vestiging van een bordeel wèl binnen het bestemmingsplan, dan is de gemeente verplicht om een bouwvergunning te verlenen.

Alle gemeenten, groot en klein, met bestuurders van desgewenst socialistische, liberale of christelijke huize, komen dus voor de vraag te staan waar zij bordelen wensen. De gemeente Utrecht wenst geen bordelen in het merendeel van de stad. Alleen op een aantal locaties waar nu reeds bordelen gevestigd zijn is het na 1 oktober ook volgens het bestemmingsplan toegestaan om een bordeel te vestigen. Als mijn buurman na 1 oktober wilde plannen krijgt en zijn huis wil verbouwen tot een huis van plezier zal hij daar geen toestemming voor krijgen, aangezien dit pand de bestemming `woonhuis' draagt. Deze weigering wordt in het geheel niet gehinderd door de opheffing van het bordeelverbod.

Deze situatie in mijn Utrechtse straat verschilt in niets met de weigering van het gemeentebestuur van Katwijk of Vriezenveen om de vestiging van bordelen – als zijnde in strijd met het bestemmingsplan – mogelijk te maken. Ruimtelijke motieven als een bedreiging voor de leefbaarheid, een verhoging van de parkeerdruk of een negatieve uitstraling naar de buurt kunnen, naar de beoordeling van het gemeentebestuur, als motieven dienen om af te zien van het verlenen van een ontheffing volgens art. 19 WRO.

Zaak is dan natuurlijk wel dat gemeenten hun bestemmingsplannen geanalyseerd hebben en ontdaan van onduidelijk omschreven bestemmingen als `gemengde bedrijvigheid' en `niet nader omschreven horeca'. Dat dit er feitelijk toe leidt dat er gemeenten in Nederland zijn waar geen bordeel gevestigd is, is daarmee niet hetzelfde als dat het vestigen van een bordeel daar ook verboden zou zijn. Juridisch gezien komt de afwezigheid van bordelen in Katwijk daarmee op hetzelfde neer als de afwezigheid van industrie in Wassenaar en landbouw in Amsterdam.

Wanneer De Korte schrijft dat beleidsmakers die bordelen willen weren over het hoofd zien dat dit juridisch niet mogelijk is, slaat hij de plank dus mis. Hij ziet zelf over het hoofd dat met het vervallen van een strafrechtelijke bepaling de gemeente nog niet beroofd is van haar autonome bevoegdheden tot het voeren van een ruimtelijk beleid. En dat is maar goed ook. Den Haag kan wel bepalen dat het is toegestaan om een bordeel te exploiteren, de vraag waar dat gebeurd is – net als de vraag waar een huis, een kerk, een dakkapel of een duiventil mag staan – voorlopig voorbehouden aan de gemeente.

Drs. Roel M. Freeke is werkzaam als adviseur binnen het lokaal bestuur en is raadslid voor de ChristenUnie in Utrecht.

    • Roel Freeke