Een fles vol historie

Een aantal wijnexperts, onder wie Lucette Faber en Hubrecht Duijker, proeft morgen de inhoud van een driehonderd jaar oude fles wijn die onlangs bij Texel werd opgedoken. Lucette Faber gist alvast naar de inhoud.

In juli doken archeologen van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie ten oosten van Texel een fles oude wijn op. De fles bevond zich in het wrak van een schip dat daar rond 1700 was gezonken. Een intacte fles mèt kurk en complete inhoud (de fles is nog vol tot vlak onder de kurk) uit die tijd is iets zeldzaams, omdat de meeste wijn in die dagen in vaten werd vervoerd en de weinige wijnflessen meestal in scherven boven water komen. De kans dat de wijn nog prettig van smaak zal zijn, is vrij klein, alleen al omdat er mogelijk zeezout door de wand van glas heen is gedrongen. Dit was het geval bij een van de flessen die uit het ruim van het VOC-schip de `Amsterdam' voor de kust van Zuid-Engeland werden opgedoken. Van de drie flessen die toen werden geproefd, was er nog eentje goed van smaak, een ander was veranderd in zeewater en de derde zwaar geoxydeerd, doordat er nog maar een beetje wijn in de fles zat.

De wijn uit deze driehonderd jaar oude fles wordt morgen geproefd en tot dat moment blijft het gissen naar de inhoud. We weten alleen dat het een rode wijn is – er ligt veel depot op de bodem van de fles – en dat beperkt het aantal mogelijkheden betreffende de herkomst aanzienlijk. Gezien de toenmalige handelsroutes en smaak van de consument in noordelijk Europa rond 1700, zijn de grootste kanshebbers Bordeaux en Oporto, waar in die tijd de handel in rode Dourowijn, de voorloper van port, juist op gang was gekomen.

Oorlogen in het 17de en 18de eeuwse Europa bepaalden in grote mate de beschikbaarheid van Franse en Spaanse wijn in de belangrijkste importlanden: Engeland en de Nederlanden. Een alliantie tussen Portugal en Engeland maakte Portugese wijn een dankbaar alternatief voor de `fine claret' uit Bordeaux die door de oorlog met Frankrijk nauwelijks te krijgen was. Ook Holland had problemen met Frankrijk en Engeland - beide jaloers op de grootschalige zeehandel van de zuinige, grijze muizen achter hun dijken.

Omstreeks 1700 heerste er echter rust in Europa en Franse wijn stroomde de Hollandse en Zeeuwse havens – vooral Middelburg, Rotterdam en Amsterdam – binnen: 33.200 vaten van 900 liter alleen al in 1700. De meeste wijn werd doorgevoerd naar havens aan de Oostzee en de kolonieën, na, indien nodig, te zijn bewerkt met suiker, alcohol en/of kleurstof in Rotterdam, `centrum van alles wat de mens kan bedenken om wijn te versnijden', aldus minister van Handel Colbert ten tijde van Lodewijk XIV.

De kans is groot dat de opgedoken wijn is gebotteld in een van de overslagplaatsen in de Nederlanden. Mocht hij via Rotterdam zijn gegaan, dan is te hopen dat hij niet extra alcohol, suiker of een scheut krachtige wijn uit de Palus (een deel van de huidige Médoc) heeft meegekregen, want dat zal zijn smaak op de zeer lange termijn geen goed hebben gedaan. Het feit dat hij veel dépot heeft, duidt op een wijn met veel kleur; de Bordeaux uit die tijd was juist bekend om zijn lichte kleur – vandaar het Engelse woord `claret' voor deze wijn – maar hij zou versneden kunnen zijn omwille van de Hollandse smaak (vooropgesteld dat de wijn afkomstig is uit een Hollands schip, want dat is niet zeker). Dat maakt de kans op een Douro-wijn uit Portugal weer groter. Helaas mogen we niet rekenen op een Madeira of Sherry (beide wit), wijnen die door hun hogere alcoholgehalte (ca. 20 pct) veel langer bewaard kunnen worden.

Wijn in een fles met een kurk was in die dagen geen unicum, maar wel zeldzaam in verhouding tot de hoeveelheid wijn die op vat werd verhandeld. De productie van flessen om wijn in te bewaren was nog maar net op gang gekomen, enerzijds doordat de techniek van het maken van stevig glas nog jong was, anderzijds doordat de kennis van het positieve invloed van fleslagering verloren was gegaan. Met de val van het Westromeinse Rijk aan het eind van de 5de eeuw AD ging immers ook de hoog ontwikkelde technische kennis rond het procédé van wijnbereiding – waaronder het bewaren van wijn in luchtdicht afgesloten vaten – verloren. Zodoende veranderde alle wijn die werd gedronken binnen een jaar in azijn.

In de tweede helft van de 17de eeuw doen zich twee fenomenen voor die de productie van echte goede wijn sterk hebben bevorderd. Het eerste was dat de ontwikkeling van een betere fles (dus niet alleen een sierfles van dun glas voor op tafel, maar een bewaarfles van dik glas), het tweede die van de kurk. De kurk was, mits men in het bezit was van een – ook in die periode uitgedachte – kurkentrekker, de best denkbare afsluiting voor de fles. Toch werd nog maar een heel klein percentage van de geïmporteerde wijn in handgemaakte flessen opgeslagen.

De nu gevonden fles zou heel goed eigendom van de rederij of van de kapitein zelf kunnen zijn, want aan de `captains table' werd natuurlijk wijn gedronken, naast Madeira en Sherry. Deze wijn was dan van te voren gebotteld en werd bewaard in tenen manden gevuld met stro om breuk te voorkomen. En de maats? Die dronken brandewijn – beter tegen reizen bestand dan de beschaafde Douro- of Bordeauxwijn van mijnheer de kapitein.

    • Lucette M. Faber