Bestrijdingsmiddelen niet echt onmisbaar

Gedogen van het gebruik van landbouwgif is een slechte zaak. En het gebruik bij calamiteiten dient aan strikte voorwaarden te worden gebonden, menen Helias Udo de Haes en Geert de Snoo.

Deze week heeft minister Pronk van VROM de Tweede Kamer toegezegd het gebruik van elf `onmisbare' bestrijdingsmiddelen, die niet aan de huidige milieu-eisen voldoen, te gedogen totdat de huidige Bestrijdingsmiddelenwet is aangepast. Hij zal zijn collega Korthals van Justitie vragen om alleen maar waarschuwingen uit te delen aan boeren en tuinders die de bewuste middelen toepassen. Op langere termijn zullen in de nieuwe Bestrijdingsmiddelenwet de milieu-eisen voor de betreffende middelen worden versoepeld: bijvoorbeeld voor waterleven in het algemeen met een factor 10, en voor watervlooien in het bijzonder met een factor 100.

Zowel het gedogen op de korte termijn, als de versoepelde toelating op de langere termijn is een slechte zaak. Door het gedogen wordt opnieuw een beleidsterrein aan de schijnheiligheid prijsgegeven. En de soepelere toelating ondermijnt de algemeen noodzakelijk geachte vermindering van de milieubelasting door bestrijdingsmiddelen. De vraag moet dan ook gesteld worden hoe onmisbaar deze middelen werkelijk zijn.

Uit praktijkcijfers blijkt al jaren dat er grote verschillen zijn in het gebruik van bestrijdingsmiddelen, ook binnen de gangbare landbouw. Cijfers van het CBS laten zien dat bij 80 procent van de toepassingen, waarvoor deze middelen onmisbaar worden geacht, zeker 50 procent van de boeren deze middelen nooit gebruikt. Toegegeven, bij de wel-gebruikers zou het om een echte noodzaak kunnen gaan. Maar voor de sector is het zoeken naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van moderne schoffelmachines, nooit een prioriteit geweest. Ook de landbouworganisaties – met hun miljoenen reserves – hebben al die jaren weinig van zich laten horen. En men heeft zich al helemaal niet laten inspireren door de ecologische landbouw, die het volledig zonder chemische bestrijdingsmiddelen doet.

Er kunnen twee vormen van onmisbaarheid worden onderscheiden. In een aantal gevallen wordt een onmisbaar geacht middel door vrijwel alle telers jaarlijks gebruikt. Zo gebruikt 95 procent van de uientelers al vele jaren propachloor om onkruiden te bestrijden. Bij het gebruik hiervan wordt een aantal milieucriteria overschreden, met name die van de waterkwaliteit. Toelating van dit middel zou gekoppeld kunnen worden aan het instellen van een veel bredere spuitvrije zone langs de sloten dan de smalle – maximaal 1 meter brede – zone die nu wordt vereist. Ook kan een combinatie met mechanische onkruidbestrijding worden voorgeschreven. De invoering van een bestrijdingsmiddelenboekhouding voor zowel telers als leveranciers komt daarmee eveneens een stap dichterbij. Verder is ook een milieuheffing op dergelijke middelen denkbaar ter stimulering van milieuvriendelijke alternatieven.

Tegenover deze vorm van onmisbaarheid, die gekoppeld is aan doorsnee problemen bij bepaalde teelten, staat een andere veel vaker voorkomende vorm. Het gaat hier om het incidenteel, onvoorzien optreden van ziekten of plagen. Een willekeurig voorbeeld vormt de toepassing van het insecticide carbaryl in appels, dat in 1998 door slechts 5 procent van de telers werd gebruikt. Landbouw-economisch gezien is er wat voor te zeggen om voor dergelijke situaties, als er echt geen uitwijkmogelijkheden zijn, een aantal middelen op de plank te hebben staan. Maar het gebruik bij dergelijke calamiteiten dient dan wel aan strikte voorwaarden te worden gebonden. Zo zal het middel in beperkte mate en alleen op recept verkrijgbaar moeten zijn, nadat door een onafhankelijke deskundige ter plaatse een diagnose is gesteld van de aard en omvang van de calamiteit, en is nagegaan of alle voorzorgsmaatregelen wel zijn genomen.

Hierbij valt ook te denken aan spuiten onder gecontroleerde omstandigheden. De kosten van een dergelijk systeem zullen door de sector zelf moeten worden opgebracht, met zeker ook een bijdrage van de individuele boer. Er ontstaat dan een afweging met andere manieren om de bedrijfsrisico's af te dekken, bijvoorbeeld door middel van een schadeverzekeringssysteem.

Bij deze voorstellen ligt de nadruk op de toepassingswijze van de stoffen bij individuele boeren. Dat is wezenlijk anders dan het verruimen van de algemene toelatingsnormen voor de betreffende bestrijdingsmiddelen zoals nu wordt voorgesteld. De aanvullende eisen aan de toepassingswijze dienen twee doelen. Ze zijn erop gericht dat ook voor de probleem-middelen de huidige criteria voor de toelating kunnen worden gehaald. En ze moeten het zoeken naar alternatieven bevorderen. De toelatingscriteria zelf moeten in de nieuwe wet dan ook zeker niet worden afgezwakt. Deze wetswijzigingen leveren nog geen oplossing voor de korte termijn, zeg voor de komende 4 jaar. Voor deze periode zouden de aanvullende eisen aan de toepassingswijze geregeld kunnen worden in een convenant. Als er echt knelpunten zijn, dan zal de sector daar zeker aan mee willen werken.

Tot slot kan de vraag gesteld worden of we overal in Nederland alle teelten wel moeten willen behouden. Eigen ui eerst? Een wat sterker accent op de gemeenschappelijke Europese markt zou geen kwaad kunnen. Dat moet dan inhouden dat gewassen worden verbouwd op die plaatsen waar de winst het grootst en de milieubelasting het kleinst is.

Helias Udo de Haes en Geert de Snoo zijn respectievelijk hoogleraar en universitair docent bij het Centrum voor Milieukunde, Universiteit Leiden.