Zendtijd voor Zola

,,Wie als intellectueel door het leven wil gaan, moet in de openbaarheid treden'', schrijft Patrick Loobuyck in het Vlaamse tijdschrift Streven. Hij gaat zelfs nog een stapje verder: ,,De graad van bekendheid bij een groter publiek is alvast één belangrijk criterium om iemand als intellectueel te beschouwen.'' Dat klinkt nogal eigenaardig, de bekendste mensen zijn meestal niet direct wat je `intellectuelen' noemt, maar uit de rest van zijn betoog blijkt dat Loobuyck wel degelijk het verschil kent tussen de Bekende Vlaming en een intellectueel. Waar het hem om gaat, is dat intellectuelen de plicht hebben hun inzichten en overwegingen bij een groter publiek bekend te maken, hoe moeilijk dat soms ook gaat. Hij haalt Bourdieu aan die schreef dat Zola, als hij in de tijd van de televisie had geleefd ,,net genoeg zendtijd zou hebben gekregen om heel hard `j'accuse!' te roepen: hij zou onmiddellijk daarop onderbroken zijn... door een reclameblok.''

Daarom meent Loobuyck dat het tijd wordt dat intellectuelen actie voeren, ,,opdat the modern grammar of rationality (Gouldner), het op rationele argumenten steunende betoog, gevrijwaard blijft in de media''. Hij heeft gelijk, Loobuyck, maar het is geen opwindend of meeslepend gelijk. Die intellectuele plicht om inzichten `tot heil van het algemeen' te verspreiden, klinkt ouderwets optimistisch. Het verfrissende is dat hij geen zin heeft om te klagen over de moderne tijd en de moderne vervlakking, hij wil de handen uit de mouwen.

Loobuycks stuk lijkt min of meer representatief voor het tijdschrift Streven. Het snijdt allerlei cultureel maatschappelijke onderwerpen aan die zeker van belang zijn, maar de stukken komen niet uit de verf. Het blad opent met een stuk dat `De samenwerking tussen jezuïeten en leken' heet en dat steeds duidelijker een lezing blijkt te zijn, wat vervelend is, want dan lees je ineens: `hier in het jezuïetenhuis', terwijl je helemaal niet wist dat je in het jezuïetenhuis was. Ook dit stuk had wat onderwerp betreft interessant kunnen zijn, maar het mondt steeds meer uit in preken voor eigen parochie. De niet-jezuïet of niet met de jezuïeten samenwerkende leek voelt zich steeds minder aangesproken.

Het aardigste artikel in dit nummer gaat over literaire mystificaties en meer in het bijzonder over de Franse schrijvers Romain Gary, die onder de naam Emile Ajar de Franse literaire kritiek voor de gek hield, en iemand die door de uitgever `Chimo' wordt genoemd naar de hoofdpersoon van zijn roman Lila dit ça. Wie zich achter die naam schuilhoudt, is een bron van speculaties. Schrijver Bart Van Loo weet er ook niet meer van, maar hij vertelt wel aanstekelijk over de boeken van Ajar en Chimo. Dit stuk is al evenmin erg diepgravend of verrassend, de geschiedenis van Gary-Ajar is immers bekend, maar het is aardig om te lezen. Het blad Streven mag best wat kritischer, eigenwijzer, moeilijker, en meer doordacht zijn. De brede belangstelling van het blad is veelbelovend, maar nu de stukken nog. Het aardigste zijn de rubrieken achterin, waarin boeken, verschijnselen en voorstellingen besproken worden.

Streven, jrg. 67, nr. 7. Uitg. Jan Koenot, Antwerpen. Prijs ƒ 15,-

    • Marjoleine de Vos