Rusland zal weinig leren van het drama met de Koersk

De ondergang van de Koersk is symptomatisch voor een voortwoekerende Russische kwaal: wel praten over hervorming van de strijdkrachten maar niets wezenlijks terzake doen. Misschien komt het debat over de strijdkrachten nu op gang, maar zeker is dat bepaald niet, meent Jonathan Eyal.

Rusland rouwt vandaag om de zeelui die zijn omgekomen in de onderzeeër Koersk. En al doet president Poetin nog zo zijn best om met overhaast officieel rouwvertoon iets van de kritiek op zijn aanpak van deze ramp af te wenden, hij kan niet de wezenlijke tragedie verhullen van een land dat, ook nu het communisme verdwenen is, de waarheid nog altijd niet onder ogen kan zien. Net als onder het communisme loog de Russische regering en weigerde zij hulp van elders toen haar onderdanen in gevaar verkeerden. En net als in de Sovjet-Unie, offerde de krijgsmacht liever zijn mensen op dan dat hij zijn falen toegaf.

Dat falen werd gemaskeerd door leugens. Leugens over het aantal zeelui dat zich aan boord van de onderzeeër bevond. En leugens over de reddingsoperatie. Aanvankelijk lieten de Moskouse media weten dat er ,,contact was gelegd met de onderzeeër'' en dat de zeelui het ,,goed'' maakten. Enige tijd later werd toegelicht dat dit ,,contact'' erop neerkwam dat er in het schip met tussenpozen op de romp werd geklopt. Inmiddels is bekend dat het merendeel van de opvarenden al zeker een week dood is, en dat de Russische officieren nergens anders geklop hebben kunnen horen dan in hun eigen schedel. Je zou denken dat op een gegeven moment de leugens ophouden. Niets is minder waar: de Russische marine blijft volhouden dat de onderzeeër op een ander vaartuig is gebotst, terwijl Westerse inlichtingendiensten duidelijk hebben aangetoond dat de ramp is begonnen met ontploffende torpedo's in de onderzeeër zelf.

Het eerste wat de Russische militaire leiding bij het begin van de reddingsoperatie had moeten doen, was diepzeeduikers naar de gezonken onderzeeër sturen. Zulke duikers kunnen tot 160 meter diepte werken; de Koersk ligt 107 meter diep, en de Noorse duikers hebben duidelijk gemaakt dat zo'n actie mogelijk was geweest. De meeste landen met een grote vloot hebben teams van zulke duikers paraat. Waarom maakten de Russen er dan geen gebruik van, te meer omdat de oude Sovjet-Unie snoefde dat zij beschikte over twee speciale reddingsonderzeeërs die tot op 500 meter diepte in actie konden komen? Het antwoord is simpel: die eenheden bestonden alleen op papier, hun uitrusting wachtte al maanden op reparatie.

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom de bevelhebbers van de Russische marine de waarheid verborgen probeerden te houden. Maar hun superieuren in Moskou deden hetzelfde. Maarschalk Igor Sergejev, de Russische minister van Defensie, wist dat Moskou naar oud gebruik al op zoek was naar een zondebok. Hij hield zich dus stil en zorgde dat hij buiten beeld bleef, in de hoop dat anderen de verantwoordelijkheid op zich zouden nemen. Ook generaal Anatoli Kvasjnin, de leider van de strijdkrachten, heeft zolang de tragedie duurde zijn mond niet opengedaan – zij het om een andere reden. Kvasjnin knokt in Moskou al een hele tijd voor meer geld voor de Russische landstrijdkrachten. Maarschalk Sergejev, die meer geld wilde voor de Russische raketten en de marine, werkte hem tegen. In strategisch opzicht kreeg Kvasjnin gelijk: zijn waarschuwingen dat de strijdkrachten te weinig geld krijgen, werden nadrukkelijk geïllustreerd door het verlamde wrak op de bodem van de Barentsz Zee.

President Poetin, tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten, zette intussen zijn vakantie aan de Zwarte Zee voort, waar hij zich op één tak van de zeevaart concentreerde: hij leerde waterskiën. De entourage van de president spiegelde zich aan hem. Vice-premier Ilja Klebanov, die later de commissie voor de redding van de onderzeeër zou leiden, bracht aanvankelijk ook veel meer tijd door aan de Zwarte Zee dan aan de Barentsz Zee. Sergej Ivanov, de secretaris van de Veiligheidsraad, bleef officieel met verlof en lijkt er zijn handen niet aan vuil te hebben gemaakt.

Het kan zijn dat alle zeelui aan boord van de Koersk vrijwel onmiddellijk om het leven zijn gekomen. Maar hoewel de Russische militairen dat met geen mogelijkheid konden weten, wezen zij op de eerste dag dat het nieuws van de ramp bekend werd, buitenlandse hulp van de Amerikanen, Britten en Noren van de hand. Ook dit valt weer eenvoudig te verklaren: er steekt een combinatie achter van Ruslands hoogmoed: het wil een supermacht heten, en de eeuwige achterdocht van de Russische militairen dat iedere Westerse bezoeker op hun grondgebied wel een spion moet zijn.

Ondanks alle veranderingen die zich de afgelopen tien jaar hebben voltrokken, is de stad Vidjajeva, de thuisbasis van de vergane onderzeeër, nog altijd niet toegankelijk voor bezoekers van buiten en komt ze zelfs niet voor op de wegenkaarten van de regio.

Politici die doen alsof ze niet doorhebben dat hun generaals en admiraals liegen en ten koste van mensenlevens hun reputatie proberen te redden – het is een vertrouwd beeld in de Russische geschiedenis. Intussen is de Koersk symptomatisch voor een veel dieper woekerende Russische kwaal: die van de vermeende hervorming van de strijdkrachten. Sedert de ineenstorting van het communisme hebben de krijgsmacht en de politieke leiding in Moskou langs elkaar heen gepraat. De politici bleven volhouden dat zij een enorme macht vertegenwoordigden, waar ze echter niet voor wilden betalen, en de militairen eisten geld zonder te zeggen wat ze ermee dachten te gaan doen. Het resultaat is een volslagen fiasco, met onder meer een reusachtige, extreem dure nucleaire vloot zonder logistieke ondersteuning, duizenden wapenfabrieken die niets produceren, tienduizenden tanks die een stuk of wat Tsjetsjeense rebellen niet aankunnen, en miljoenen soldaten die onvoldoende te eten krijgen. Zonder de geringste gêne vragen de Russische autoriteiten het Westen nu om financiële hulp om de onderzeeër van de zeebodem te kunnen lichten. En dat voor een land dat alleen al in de eerste helft van dit jaar met de verkoop van olie meer dan twintig miljard dollar heeft verdiend.

Het beste waartoe deze gruwelijke tragedie misschien kan leiden is een serieus debat over de vraag hoeveel strijdkrachten Rusland nodig heeft en of die strijdkrachten de belangen van het volk niet zwaarder moeten laten wegen dan die van de officieren. Maar de kans is groter dat een paar hoge officieren worden ontslagen, dat niemand de verantwoordelijkheid op zich zal nemen, dat de doden in vergetelheid zullen raken en dat de tragedie, dat Rusland geen normaal democratisch land kan worden, voortduurt.

Jonathan Eyal is Director of Studies aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.