Vurig nationalist

Abulfaz Elçibey, gisteren in Turkije op 62-jarige leeftijd overleden aan prostaatkanker, was de eerste democratisch gekozen president van Azerbajdzjan. Zijn verkiezing in 1992 maakte een eind aan het bewind van de laatste communistische partijchef, Ayaz Mutalibov, die zich in 1991 onmiddellijk had `bekeerd' tot democraat.

Elçibey, oriëntalist en in Sovjet-tijden dissident, leidde het Azerbajdzjaans Volksfront, dat ijverde voor onafhankelijkheid van Azerbajdzjan. Na zijn verkiezingszege (met 67,9 procent van de stemmen) voerde Elçibey een pro-Westers, pro-Turks en anti-Russisch beleid. Afgezien van de oorlog tegen de Armeniërs om Nagorny Karabach – die hij na zware nederlagen met een voorlopig bestand even kon bezweren – was zijn grootste probleem het scheppen van afstand tot Moskou, dat na de ondergang van het Sovjet-imperium geen middel schuwde om de invloed in het `nabije buitenland' (de weggelopen Sovjet-republieken) te handhaven. Azerbajdzjan was voor Moskou van nog groter belang dan vele andere ex-Sovjet-republieken wegens de grote olievoorraden in de Kaspische Zee. Elçibeys slaagde er uiteindelijk in mei 1993 in een eind te maken aan de aanwezigheid van Russische militairen en Russische bases. De Russen reden 200 tanks liever de zee in dan ze in handen van de Azeri te laten vallen.

Elçibey heeft uiteindelijk maar één jaar geregeerd. De vurige nationalist leidde een regering van briljante intellectuelen, maar door zware nederlagen tegen de Armeniërs en Elçibeys onvermogen bij de bestrijding van de corruptie raakte die regering al snel geïsoleerd. De president moest in juni 1993 vluchten toen zijn officieren weigerden de hoofdstad Baku te verdedigen tegen een opstand van militairen onder de mafiose zakenman, commandant en oorlogsheld Suret Huseynov. Elçibey nam de wijk naar zijn geboortedorp in Nachitsjevan, de Azerbajdzjaanse enclave die ingeklemd ligt tussen Armenië en Iran. Huseynov werd premier. Tot zijn dood heeft Elçibey volgehouden dat Huseynovs opstand in Moskou is beraamd.

Later in juni 1993 werd hij ,,tijdelijk'' (en in oktober definitief) opgevolgd door Heydar Aliyev, die nog in het Sovjet-politburo van Leonid Brezjnev had gezeten. Elçibey is zich altijd blijven zien als de wettige president van het land. Aliyevs weinig democratische bewind wimpelde hem weg als een has-been, een man van het verleden, maar het was wel zo benauwd voor een terugkeer van Elçibey naar Baku dat hij voortdurend werd bedreigd met processen – bijvoorbeeld wegens medeplichtigheid aan de dood van mensen tijdens de opstand van Huseynov. Nog vorig jaar werd Elçibey bedreigd met een proces wegens belediging van Aliyev naar aanleiding van zijn beschuldiging dat Aliyev de Koerdische Arbeiderspartij PKK van Abdullah Öcalan had helpen oprichten.

In wezen is Elçibey, ook al speelde hij al sinds 1993 geen rol meer op het politieke toneel van zijn land, altijd de belangrijkste, zo niet de enige binnenlandse bedreiging voor Aliyev gebleven. Azerbajdzjan is potentieel steenrijk. Maar de bevolking merkt niets van die rijkdom: alle olie ten spijt is stroom gerantsoeneerd, is veertig procent van de bevolking werkloos en leeft het overgrote deel onder de armoedegrens. Velen zijn aangewezen op geld van familieleden die in Iran of Turkije werken en het gemiddelde maandloon is met 65 gulden te klein om van rond te komen.

Als het potentieel aan sociale en economische ontevredenheid door een rivaal van Aliyev zou kunnen worden gekanaliseerd, zou dat Aliyevs einde betekenen. Elçibey was de enige die dat had gekund – reden voor het regime hem in het verre Nachitsjevan te houden.

    • Peter Michielsen